Oorlog in de aarde (besmeurd)
Leusden, 10 juli 2026
De Georgische generaal-majoor staat roerloos voor de zerk. Het enige rood op het Sovjet Ereveld in Leusden die dag, is afkomstig van een krans met plastic anjers. De bloemen liggen fris te zijn in de hittegolf. Zij zullen niet verwelken, zij kunnen dat niet. Hun onveranderlijkheid is kunstmatig, maar daarom niet betekenisloos. De generaal en ik staan zwijgend naast elkaar, lezen de teksten op de zerken, ieder verzonken in een eigen gedachtewereld. De stilte is niet leeg. Zij wordt bevolkt door de afwezigen.
De generaal heeft kaarsjes uit Georgië meegebracht. Dunne staafjes van bijenwas, niet groter dan de kaarsjes die wij op een verjaardagstaart zetten, dan uitblazen samen met een wens voor geluk. De kaarsjes in Leusden blijven branden. Op stenen van mannen voor wie niets meer te wensen valt, behalve misschien dat hun rust niet opnieuw wordt verstoord. Op veel graven in Leusden ligt meer dan Nederlandse aarde. Nabestaanden brachten grond mee uit Georgië, Oekraïne, Oezbekistan en Kazachstan, zorgvuldig vervoerd in plastic boterhamzakjes of fluwelen buideltjes. Het sacrale laat zich door verpakking niet ontmoedigen. Op het Georgische graf dat ik adopteerde, ligt aarde van het graf van de weduwe van de soldaat. Zij bleef haar verdere leven alleen. Haar man keerde niet terug, maar veel later reisde een handvol grond hem alsnog achterna. Zo kwamen zij in de polderbodem van Leusden toch weer bijeen: niet van vlees en bloed, wel van stof en as. Een postume hereniging, voltrokken zonder priester, ambtenaar of vredesverdrag.
Een paar dagen later zitten we in de Koninklijke Schouwburg Den Haag. Veteranendag 2026 verloopt anders dan duizenden veteranen en hun families zich hadden voorgesteld. Het nationaal defilé en de manifestatie op het Malieveld zijn wegens de hitte afgelast. Velen hadden er maanden, misschien wel het hele jaar, naar uitgekeken: de kameraden, de muziek, het defilé, het kortstondige gevoel dat de samenleving niet alleen weet dát veteranen bestaan, maar ook begrijpt wat hun inzet heeft gevraagd. Het programma in de Schouwburg gaat wel door. Bij de muziek laat de generaal een traan. Een oude kolonel naast hem, lid van de Georgische delegatie, doet dat niet. Niet omdat hij minder bewogen is, maar omdat één van zijn ogen van glas is. De twee waren kameraden tijdens de oorlogen rond de Georgische onafhankelijkheid, begin jaren negentig. De kolonel verloor zijn oog toen zijn oogkas werd getroffen. De generaal, destijds nauwelijks twintig, zou het oog hebben opgeraapt, in zijn zak hebben gestoken en bij de hospik hebben afgeleverd. Of ieder anatomisch en chronologisch detail klopt, valt niet meer vast te stellen. Maar het is een steengoed verhaal en alleen al daarom vermoedelijk waar.
Waar informatie ontbreekt, ontstaat invulruimte.
Een dag later trekt de kolonel tijdens een toeristisch onderdeel van hun bezoek in een vestingstadje aan de Lek zijn kleren uit om in zijn onderbroek de rivier in te springen. Uit angst dat hij met één oog de diepte niet goed in zal schatten, probeer ik zijn aanloop met mijn lichaam te breken. Vergeefs. Hij springt, verdwijnt onder water en komt even later triomfantelijk weer boven drijven. Sommige veteranen laten zich een leven lang beschermen. Andere uitsluitend zolang dat tactisch opportuun is.
Wanneer de Georgische delegatie weer huiswaarts is gekeerd worden op 10 juli de grafstenen op het Sovjet Ereveld met rode verf besmeurd. Waar kort daarvoor bijenwaskaarsjes brandden en rode plastic anjers kleurig bloeiden, trekt het rood nu over namen, geboortejaren en sterfdata. De politie onderzoekt wat er is gebeurd. Over wie, waarom en waartoe past geen speculatie. De waarneembare werkelijkheid is ernstig genoeg: graven van militairen die gevangenschap, dwangarbeid en oorlog niet overleefden, zijn opnieuw tot drager gemaakt van een boodschap die zij niet kunnen beantwoorden.
Foto’s in de media registreren de kleur, niet de intentie. De camera ziet rode grafstenen. De beschouwer levert al snel motief, context en soms zelfs dader erbij. Waar informatie ontbreekt, ontstaat invulruimte. Precies daarin nestelen zich gerucht, insinuatie en strategisch narratief. Eén afbeelding kan bewijsstuk, aanklacht, propagandamiddel of oproep tot verzoening worden, afhankelijk van wie haar selecteert, uitsnijdt, onderschrijft en verspreidt. De fysieke verf droogt op de steen, raakt geronnen. Het digitale beeld vloeit en begint onmiddellijk te circuleren. Betekenissen reizen sneller dan geverifieerde feiten.
Hoe vertel je intussen aan families, aan de nabestaanden, wat er is gebeurd? Hoe leg je in Georgië uit dat aarde van een weduwe, na tachtig jaar eindelijk verenigd met die van haar man, met verf is besmeurd? Hoe schrijf je naar Kazachstan of Oezbekistan dat een steen waarop na decennia van archiefonderzoek en DNA-vergelijking weer een naam kon worden geplaatst, opnieuw onleesbaar werd? ‘Vandalisme’ is juridisch bruikbaar, maar emotioneel ontoereikend. ‘Ontheiliging’ komt dichter bij de wond, maar veronderstelt overeenstemming over wat ons heilig is.
Misschien wijst juist dat ongemak een richting. Het gesprek kan niet stoppen bij schoonmaakmiddelen, herstelkosten en verontwaardiging. Ook het moeilijke gesprek over het hoe en waarom van Sovjetgraven in Nederland moet worden gevoerd. Het woord ‘Sovjet’ oogt als één granieten blok, maar bevat vijftien voormalige republieken, honderden bevolkingsgroepen, mensen van veelkleurige etniciteit en miljoenen afzonderlijke levens. Het verwijst naar een ideologie, staatsverband en militair systeem, niet naar één afkomst. De mannen in Leusden kwamen onder meer uit Oekraïne, Georgië, Armenië, Kazachstan en Oezbekistan. Sommigen dienden het Rode Leger met overtuiging. Anderen werden opgeroepen. Velen raakten krijgsgevangen, werden uitgehongerd, gedehumaniseerd en naar het Westen vervoerd in veewagons. Hun stenen zerken dragen een collectief historisch predicaat; onder iedere steen ligt een onherhaalbaar mens.
Ook het moeilijke gesprek over het hoe en waarom van Sovjetgraven in Nederland moet worden gevoerd.
Het Sovjet Ereveld is daarmee een lieu de mémoire, maar ook een palimpsest: een plaats waarop iedere periode haar eigen betekenis over oudere lagen heen schrijft. Na de Tweede Wereldoorlog overheersten ontzetting over wat er gebeurd was en dankbaarheid jegens de Sovjetsoldaten voor hun aandeel in de bevrijding. Tijdens onze Koude Oorlog verscheen achter iedere Sovjetsoldaat op het Ereveld de donkere schaduw van de ideologische antagonist. Perioden van détente maakten toenadering en identificatie van de stoffelijke resten mogelijk. Sinds de Russische invasie van Oekraïne is het woord opnieuw geladen, alsof geschiedenis zich retrospectief langs actuele frontlijnen laat herschikken.
Maar een grafsteen is geen opiniepagina. Een dode kan niet van kamp veranderen wanneer het politieke klimaat omslaat. Historisch bewustzijn vraagt onderscheid tussen regime en onderdaan, ideologie en individu, symbool en stoffelijk overschot. Zonder dat onderscheid wordt herinnering geen geschiedschrijving, maar mobilisatie. Tijdens mijn EU-werk in Georgië zag ik verse graven van militairen uit de oorlog van 2008. Lichamen konden soms pas weken later worden geborgen. Later zou ik een soortgelijke situatie aantreffen, van een andere grootheid, tijdens mijn OVSE-werk in de Donbas. De kinderen van de gevallen soldaten daar waren in 2014 nog klein. Nu zijn zij tieners en jongvolwassenen. Sommigen dragen inmiddels zelf een uniform. Sommigen zullen het oorlogslot van hun vader achterna zijn gegaan. Sommigen van hen heb ik beloofd dat ik ze op zal zoeken. Maar dat duurt nu al erg lang.
De longue durée van oorlog: geweld dat langer doorwerkt dan de veldtocht, het staakt-het-vuren of het vredesverdrag. Oorlogen worden uitgevochten op zee en land, in juridische dossiers, personeelsbestanden en evacuatieplannen. Maar ook tussen twee kameraden: de een die het verloren oog van de ander opraapt alsof zelfs dat nog gered kan worden. Of tussen echtelieden die na hun dood alleen door een handvol aarde worden herenigd.
De verf is inmiddels verwijderd. Dat was noodzakelijk. Maar schoon is niet hetzelfde als ongedaan gemaakt. Zwijgen is niet hetzelfde als vergeten.
Meer columns van Caecilia van Peski
KLTZ (SD) drs. Caecilia Johanna van Peski (1970) studeerde Onderwijs- en Cultuurpsychologie en Civiel-Militaire Interactie. Zij werkte vervolgens voor verschillende multilaterale organisaties, waaronder de EU, NAVO, OVSE en de VN. Sinds 2020 is zij verbonden aan de Koninklijke Marine. www.vanpeski.org


