Hamer en Adem (Sarajevo smeedt)
Sarajevo, Bosnië en Herzegovina, 26 maart 2025
Op de oude Joodse begraafplaats Kovačići, hoog op de heuvel Trebević, glanst Sarajevo in de lentezon. Voor me ligt een tapijt van rode daken, smalle straten en het zilver van de Miljacka rivier. Onder mijn voeten vervagen de namen op eeuwenoude stenen graven, half weggevaagd door regen en tijd. Het contrast is scherp: herinnering aan verlies en de levendigheid van de stad beneden. In mijn hoofd echoot de Sarajevo Haggadah, het middeleeuwse manuscript dat ik gisteren in het nationaal museum bekeek. Ooit door Sefardische Joden meegenomen na hun verdrijving uit Spanje overleefde het manuscript op miraculeuze wijze inquisitie, brandstapel en oorlog. Het vertelt van uittocht en overleven, van een volk dat zich telkens weer moest heruitvinden. Sarajevo ademt dezelfde paradox: fragiel, maar levend. Bedreigd, maar veerkrachtig.

Dat Sarajevo een stad van ambachten is, voel je op elke straathoek. De geschiedenis bevestigt het. In een belastingregister uit 1489 worden al smeden en wapensmeden genoemd. Tegen de 16e eeuw bloeiden koper- en metaalbewerking in de stad, vaak langs specifieke straten: Kazandžiluk voor de koperslagers, Kovači voor de smeden. In de 19e eeuw kende Sarajevo ruim zeventig ambachten, van leerbewerking tot zilverfiligraan, en wapensmeden behoorden tot de meest gerespecteerde. Niet alleen de wapens zelf waren beroemd, ook de ornamenten: pistolen met zilver ingelegd, messen met fijn filigraan. De grondstoffen kwamen uit de bergen rondom: ijzer en koper uit de mijnen bij Vareš en Ljubija, hout uit de bossen van de Dinarische Alpen, zilver uit Srebrenica (zilverplaats). Sarajevo’s wapensmeden leverden niet alleen voor eigen gebruik, maar exporteerden hun producten tot ver buiten de Balkan. De stad was een smeltkroes van religies, maar ook van vakmanschap.
Midden in Baščaršija, de oude bazaar, ontmoet ik Emir. Zijn smidse is klein, gevuld met roet, olie en staal. Zijn handen zijn zwart, zijn ogen scherp. ‘Mijn vader werkte al als smid,’ zegt Emir, terwijl hij het aambeeld aanraakt. ‘Hij was voorman in een wapenfabriek. Ikzelf werkte lang in Duitsland en Oostenrijk, maar Sarajevo roept me terug. Alles wat ik smeed draagt een geschiedenis van overleven en precisie.’
Emir tilt een gloeiend stuk staal op en legt het met vaste hand op het aambeeld. Met elke slag hamert hij woorden uit: discipline, geduld, detail. ‘Het geheim,’ zegt hij, ‘is elk stuk behandelen alsof je leven ervan afhangt.’ Zijn uitspraak klinkt als een echo uit de geschiedenis.
Want Emir staat in een lange traditie. Tijdens de Ottomaanse periode waren Bosnische wapens geliefd in het hele rijk. Pistolen en messen uit Sarajevo werden versierd met zilverfiligraan, soms zo verfijnd dat het eerder kunst dan oorlogstuig leek. Families van smeden gaven hun kennis door van vader op zoon; sommige dynastieën werkten eeuwenlang in dezelfde straat. Wapens waren niet louter dodelijk gereedschap, maar dragers van status en kunstzinnigheid.
‘Ook Bosnië is een overlevende, maar het verleden ligt altijd op de loer’
In tijden van oorlog werd dat vakmanschap ingezet voor overleving. Tijdens de Tweede Wereldoorlog richtten partizanen in het Grmeč-gebergte geheime werkplaatsen in, waar lokale smeden handgranaten, geweren en zelfs artillerie repareerden. Een anekdote vertelt van Avdo Jabučica, een Sarajevaanse wapensmid die in 1878 Krupp-kanonnen herstelde om de stad te verdedigen tegen de Oostenrijkse troepen. Hij werd later geëxecuteerd, maar werd voor de mensen een held van verzet en ambacht.
Ook in de 20e eeuw speelde de Bosnische defensie-industrie een rol. In Novi Travnik werden in de jaren tachtig raketlanceerders voor Irak gefabriceerd. Na de oorlog in de jaren ’90 werden veel fabrieken stilgelegd, maar de sector veerde daarna weer op. In Konjic en Bugojno draaien nog altijd fabrieken die munitie en mortieren produceren voor export naar het Midden-Oosten. Over de jaren heen is de Bosnische wapenexport flink gestegen. Het is een wrange paradox: een land dat zijn eigen oorlog nauwelijks te boven is, levert nu munitie aan conflicten elders. Of laat deze trend nu vooral de veerkracht en het vakmanschap van de Bosnische industrie zien, vraag ik Emir? Emir kent die paradox. Hij lacht kort en zegt: ‘Wij hebben kwaliteit die niemand anders heeft. Ironisch genoeg kunnen wij, een land dat worstelt met zijn oorlogsverleden, vrede ondersteunen door veiligheid te leveren.’
Emir’s handen, vuurvast en zwart van roet, bewegen ritmisch. Het vuur in de smidse leidt het gesprek. Een groep NAVO-soldaten loopt voorbij, hun silhouetten scherp in de middagzon. Emir glimlacht. ‘Ze proberen onopvallend te zijn, maar je ziet ze meteen. Veiligheid is nooit vanzelfsprekend.’ Ik begrijp dat Emir’s blik verder reikt dan staal en vlammen. Voor hem is smeden ook een vorm van commentaar op de wereld: constant, precies, met ironie of een mokerslag.
De geopolitiek van vandaag laat zien dat de spanningen tussen Bosnië en Servië nooit helemaal zijn verdwenen. Het land lijkt gevangen tussen hoop en angst, tussen wens en realiteit. Het politieke systeem, opgebouwd uit een wirwar van parlementen en etnische verdelingen, is nauwelijks houdbaar. De Dayton-akkoorden die het land eind jaren ’90 moesten stabiliseren, zijn verouderd en rigide: te complex om zomaar aan te passen en niemand durft er politiek gezien zijn vingers aan te branden. Openbreken is praktisch onmogelijk. De vraag is dus: hoe kan Bosnië verder? Het antwoord ligt niet in een simpele politieke hervorming, maar in stap-voor-stap verandering, het betrekken van de nieuwe generatie en in economische ontwikkeling. Het bijzondere is dat ondanks deze spanning, er hoop is. De jonge generatie wil vooruit, wil werken, reizen, investeren. Bosnië heeft een potentieel dat niet wordt benut.
Maar de geopolitieke realiteit kan niet worden genegeerd. De politieke structuren zijn complex, de nationale en etnische spanningen zijn tastbaar. Servië houdt zijn invloed, en de internationale gemeenschap moet waakzaam blijven. De aanwezigheid van NAVO-militairen is geen luxe, maar een noodzaak. Het land balanceert tussen veiligheid, autonomie en Europese integratie. Voor defensiemensen is dit een fascinerend studieobject: hoe wordt geprobeerd om een land door diplomatie, militaire paraatheid en lokale veerkracht in evenwicht te houden.
‘De aanwezigheid van NAVO-militairen is geen luxe, maar een noodzaak’
2025 markeert dertig jaar sinds de val van Srebrenica; de wonden zijn nog vers. Tegelijkertijd heeft de New York Times het land uitgeroepen tot top-toeristische bestemming van het jaar. De jonge generatie wil werken, reizen, investeren. Toeristen vullen de straten, cafés zitten vol. De geur van gegrild vlees mengt zich met shisha, Balkan Beats klinken in de steegjes. Tijdens de Ramadan klinkt ’s avonds het traditionele kanonschot vanaf de heuvels, een eeuwenoud signaal dat de iftar is begonnen. Families breken samen het vasten, terwijl de NAVO-soldaten patrouilleren. Twee vormen van veiligheid, naast elkaar: sociaal en militair. En in een kleine smidse klinkt nog een derde vorm: veiligheid gesmeed door handen en vakmanschap.
Terug op de heuvel Trebević voel ik een mengeling van melancholie en optimisme. De verlaten graven herinnerden aan verlies, de Sarajevo Haggadah aan overleving, en de drukte van toeristen en lokale inwoners aan de veerkracht van de stad. Wapensmid Emir ziet het vakmanschap van zijn land en de delfstoffen als een brug: een manier om conflicten te vermijden, economie te bouwen, en internationale samenwerking mogelijk te maken.
Bosnië en Herzegovina blijft een land van paradoxen: fragiel, maar veerkrachtig; gevaarlijk, maar gastvrij; verdeeld, maar cultureel rijk. Voor iedereen die veiligheid en stabiliteit zoekt, is het een les in geduld, waakzaamheid en hoop. Sarajevo leert je dat herinnering en toekomst met elkaar verweven zijn. En als ik daar bovenop Trebević sta, met de stad onder me, voel ik dat – ondanks alles – Bosnië altijd manieren zal vinden om op te krabbelen, zoals het dat ook altijd heeft gedaan en dat, als je goed kijkt, zelfs een wapensmid kan bijdragen aan vrede door vakmanschap en een slim gevoel voor marketing. Zoals Emir dat doet, hamer en vuur en adem, met discipline en inzicht.
Misschien kan dat meer toekomst dragen dan een heel leger papieren verdragen ooit zal doen.
Meer columns van Caecilia van Peski
KLTZ (SD) drs. Caecilia Johanna van Peski (1970) studeerde Onderwijs- en Cultuurpsychologie en Civiel-Militaire Interactie. Zij werkte vervolgens voor verschillende multilaterale organisaties, waaronder de EU, NAVO, OVSE en de VN. In 2024 is zij vanuit de Koninklijke Marine uitgezonden naar het bureau van het United States Security Council (USSC) in Ramallah, Westelijke Jordaanoever. Zie www.vanpeski.org.


