Groot Ding (Rupsje Nooitgenoeg)

Bergen, Noorwegen, 7 september 2025

In een collegezaal met uitzicht op fjorden openen we de nieuwe Master Geopolitics of European Security Transition. Samen met het SAMPOL-instituut van de Universiteit van Bergen, de Noorse Koninklijke Marine Academie en Haakonsvern bouwden we in enkele maanden iets wat normaliter jaren vraagt. Niet dankzij efficiëntie alleen, maar door urgentie. Europa is geen vanzelfsprekend veilig achterland meer. De zee is terug op de voorgrond. Kabels, routes, chokepoints. De tijdgeest duwde ons voort als een gunstige zeestroom. Nog vóór de eerste student zich formeel inschrijft staat het curriculum. Het voelt als een tewaterlating. En dat is een groot ding.

 

Storting Building Norway (photo: C. David | Wikimedia)Storting: het Noorse parlementsgebouw (foto: C. David | Wikimedia)

De opening wordt verricht door Espen Barth Eide, de Noorse minister van Buitenlandse Zaken. Dat hij persoonlijk vanuit Oslo komt is geen protocolreflex. Het is een signaal. Barth Eide is Arbeiderpartiet, oud-defensieminister, oud-klimaatminister, VN-diplomaat. Hij spreekt over veiligheid zoals zeevarenden over het weer spreken: zonder pathos, met respect voor krachten die zich niet laten bevelen.

Zijn woorden volgen de Noorse kustlijn, van de Baltische benadering tot het Nord Norden en het Arctische gebied. Ook Jan Mayen, Spitsbergen en Groenland komen aan bod. NAVO, NORDEFCO, JEF, EU (waar Noorwegen geen lid van is, maar wel onmiskenbaar deel van uitmaakt). Barth Eide spreekt over kritieke maritieme infrastructuur, over hybride dreiging, over afschrikking zonder bravoure en partnerschap zonder illusie. Het klinkt vertrouwd. Misschien omdat Nederlandse en Noorse veiligheidslogica elkaar op zee raken. Misschien omdat water altijd verbindt.

Enkele weken later zal de eerste Bergen Security Conference plaatsvinden, ingebed in de nieuwe Master. Geen praatcircus, maar een denkplaats. Europese veiligheid, Arctische stabiliteit, civiel-militaire samenwerking. Hier wordt veiligheid niet opgeblazen tot retoriek, maar teruggebracht tot ieders persoonlijke verantwoordelijkheid en daarmee de verantwoordelijkheid van het collectief. Ook dat voelt zwaar, dragend, voor een groot land met een kleine bevolking.

Tussen al dit geopolitieke gewicht door blijft Noorwegen een land dat zichzelf opmerkelijk goed heeft ingericht. ‘Norway is a great country, with great leaders, particularly now,’ hoor ik een van de gastsprekers zeggen. Het klinkt als zelfverzekerdheid, maar is vooral empirisch. Want Noorwegen is een verzorgingsstaat die de verleiding van onmiddellijke bevrediging heeft weten te weerstaan. En daarmee komen we bij misschien wel het grootste ding van allemaal: het Noorse Oliefonds. Waar Nederland de gasbel had, had Noorwegen olie. Wij ontwikkelden de Dutch disease: snelle rijkdom, trage reflectie. Een aandoening waarvan de symptomen zich pas tonen wanneer genezing moeizaam wordt.


Noorwegen leerde van onze Hollandse ziekte – maar immuniteit blijkt niet erfelijk.


Die olie kwam niet als vanzelf. Ze werd gevonden op kerstavond 1969, in de Noordzee, onder omstandigheden die elke romantiek onmiddellijk afstropen. Op het boorplatform Ocean Viking, geëxploiteerd door Phillips Petroleum, werkten mannen die meer zeemannen waren dan ingenieurs. Wekenlang leverde de put niets op. Kerst naderde. De druk om te stoppen was groot. En toen, op 24 december, brak de aarde open. Olie. Niet symbolisch, niet bescheiden, maar in hoeveelheden die meteen begrepen werden als lotsveranderend. Noorwegen werd die avond geen rijk land, maar kreeg iets groters: een toekomstprobleem. Wat doe je met een vondst die groter is dan je politieke volwassenheid? Het antwoord zou later komen. En het zou ongewoon zijn.

In een zeldzaam moment van collectieve vooruitziendheid besloten Noorse politici de olie-inkomsten niet te consumeren, maar te parkeren. Te beleggen voor later, voor iedereen. Zo werd het Government Pension Fund geen grabbelton, maar een anker en eigendom van het volk. Het fonds groeide uit tot iets bijna mythisch. Zo groot dat het zichzelf begon te spiegelen, zelfs in fictie. Zoals in de populaire televisieserie Oljefundet, een komische persiflage over macht, moraal en miljarden.

Ik spreek Vaishali Kathuria, Senior Investment Stewardship Manager bij het oliefonds. Ze is scherp, charmant, en bezit die zeldzame rust van mensen die hun materie beheersen. Ze kwam als jong migrantenkind uit India naar Noorwegen. Wat zij belichaamt, is de Noorse droom: sociale mobiliteit, kansen zonder schreeuw, ambitie met vangnet. In Oljefundet speelde ze zichzelf. Fictie als oefenruimte voor verantwoordelijkheid in de werkelijkheid. De grens tussen satire en staatsmacht is dun. Dat weten we inmiddels ook uit Servant of the People. Kathuria spreekt over investeren in welzijn. Niet als slogan, maar als opdracht. Strikte ethische criteria: geen controversiële wapens, geen kinderarbeid, geen milieuschade, geen private equity. Wel vastgoed en duurzame energie, zoals offshore wind. Het mandaat is helder: maximaal rendement namens het volk, binnen morele kaders. Ethiek als kiel. Zonder kiel drijf je wel, maar stuurloos.

Ik denk aan mezelf als kind, figurant in De Kleine Kapitein van Paul Biegel. Een rol van niets, maar in mijn hoofd kon zij uitgroeien tot iets groots. Thor Heyerdahl. De jaren zeventig leerden mij dat dromen mocht. Misschien geloof ik daarom nog steeds dat instituties gevormd kunnen worden door mensen die ooit klein begonnen. Ook dat is een groot ding.

Maar grote dingen werpen schaduwen. Het Noorse oliefonds raakte verwikkeld in controverse rond Caterpillar, producent van bulldozers die worden ingezet bij huisvernietigingen in Palestijnse gebieden. In Noorwegen leidde dit tot felle debatten. Is indirecte betrokkenheid medeplichtigheid? Of fungeert afstand als moreel schild?

Hier, bijna terloops maar des te betekenisvoller, ligt voor marinemensen een Oort-moment verscholen: het ABP - pensioenfonds óók van ons - besloot in oktober 2025 dat zijn aandelen Caterpillar worden verkocht. Geen groot gebaar, geen persconferentie. Gewoon een keuze. 

Ik denk terug aan mijn uitzending naar de West Bank. Aan gesprekken met Palestijnen die hun huis verloren. Aan muren die sneller vielen dan woorden. Hier knaagt het rupsje nooitgenoeg. Altijd verder, altijd meer. Ethiek, ooit robuust, oogt pips. Alsof het immuunsysteem zichzelf begint aan te tasten.


Grote dingen vragen om discipline, juist wanneer het kleine rupsje weer begint te knagen.


De volgende dag in Bergen regent het zonnestralen. Mensen in knalgele zuidwesters demonstreren langs de kade. Spandoeken boven paraplu’s: Eigen energie voor eigen mensen. Ze verzetten zich tegen de export van Noorse waterkracht naar de EU. Emotioneel begrijpelijk, juridisch complex. Noorwegen is gebonden aan de EER-overeenkomst van 1994. Solidariteit heeft altijd bijwerkingen. Het is ook E-day. Uit professionele nieuwsgierigheid bezoek ik een stembureau - oude gewoonte na jaren als OVSE-verkiezingswaarnemer. Op het nippertje wint het gematigde blok. Niet de uiterste flank, maar dezelfde politieke familie die 57 jaar geleden het fundament legde onder het oliefonds. Continuïteit als veiligheidsstrategie.

Vier weken later meldt de Noorse avondkrant dat het oliefonds zijn ethische commissie opheft als afzonderlijk orgaan. Efficiëntie, zo luidt de verklaring. Ethiek geïntegreerd, minder toetsing. Het klinkt rationeel. Misschien te rationeel. Hier schuift iets. Een glijdende schaal. Palliatief beleid voor een dieper probleem. De ziekte waar Nederland nooit echt van genas, blijkt zelfs na 57 jaar incubatietijd overdraagbaar. Waar het Noorse oliefonds de ethische commissie oplost, kiest het Nederlandse ABP voor scheiding en consequentie. Twee fondsen, twee kielen.

Alsof de geschiedenis het nog eens wilde testen werd in 2023 plots ’s werelds grootste fosfaatreserve ontdekt, pal voor de Noorse kust. Onverwacht, strategisch, potentieel ontwrichtend. Fosfaat is voedsel, macht, toekomst. De vraag dringt zich op of Noorwegen hier leert van Nauru - het micronesische eiland dat rijk werd aan fosfaat en arm aan toekomst. ‘Nauru, officially the Republic of Nauru, formerly known as Pleasant Island.’

Dat Grote Ding waar Noren zo achteloos over spreken, is het Storting, hun parlement. Niet pompeus, niet verheven, maar groot (stort) omdat het besluiten neemt die verder reiken dan vandaag. Grote dingen blijven alleen groot als iemand het onderhoud durft te plannen. Als ballast wordt gecontroleerd, de kiel recht gehouden en het roer niet aan de waan van de dag wordt overgelaten. Het Grote Ding van de Noren is niet spectaculair, maar dragend. Misschien is dát de les. Een staat blijft alleen koersvast wanneer zij haar ethiek behandelt als zeewaardigheid. Niet als luxe, maar als voorwaarde om uit te varen. Grote dingen vragen om discipline, juist wanneer het kleine rupsje weer begint te knagen.

 

Meer columns van Caecilia van Peski

KLTZ (SD) drs. Caecilia Johanna van Peski (1970) studeerde Onderwijs- en Cultuurpsychologie en Civiel-Militaire Interactie. Zij werkte vervolgens voor verschillende multilaterale organisaties, waaronder de EU, NAVO, OVSE en de VN.  In 2024 is zij vanuit de Koninklijke Marine uitgezonden naar het bureau van het United States Security Council (USSC) in Ramallah, Westelijke Jordaanoever. Zie www.vanpeski.org

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave