Featured

Het torpederen van de IRIS Dena

Een juridische en politieke beschouwing

Door mr. dr. drs. P.J.J. van der Kruit


Abstract

Op 4 maart 2026 torpedeerde de Amerikaanse nucleaire aanvalsonderzeeboot USS Charlotte het Iraanse fregat IRIS Dena in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van Sri Lanka. Dit incident roept vragen op over de toepassing van het moderne zeeoorlogsrecht en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS). Dit artikel onderzoekt de rechtmatigheid van de aanval. Was de IRIS Dena een legitiem militair doelwit, hoe ver reikt de reddingsplicht voor een opererende onderzeeboot ten aanzien van schipbreukelingen, en hoe botsen de politieke narratieven van Iran en de Verenigde Staten? Een diepgaande analyse van de spanning tussen humanitair oorlogsrecht, operationele noodzaak en geopolitieke afschrikking.


 Het torpederen van de IRIS Dena, gezien door de periscoop van de USS Charlotte (foto’s: U.S. Department of War)Het torpederen van de IRIS Dena, gezien door de periscoop van de USS Charlotte (foto’s: U.S. Department of War)Het torpederen van de IRIS Dena, gezien door de periscoop van de USS Charlotte (foto’s: U.S. Department of War) Het torpederen van de IRIS Dena, gezien door de periscoop van de USS Charlotte (foto’s: U.S. Department of War)

Inleiding

Op 4 maart 2026 torpedeerde de Amerikaane nucleaire aanvalsonderzeëer USS Charlotte het Iraanse oorlogsschip Islamic Republic of Iran Navy (IRIS) Dena. Dit incident roept de vraag op of de aanval verenigbaar was met het geldend recht. Deze bijdrage onderzoekt het toepasselijke maritiem-juridische kader, met nadruk op het zeeoorlogsrecht en het recht van de zee, maar onderzoekt ook enkele politieke perspectieven die in verband staan met dit maritiem-juridische kader.

 

Ten tijde van het incident waren Iran en de Verenigde Staten verwikkeld in een internationaal gewapend conflict dat zich deels op zee afspeelde.[i] Het conflict kwalificeerde als zodanig, omdat tussen staten gewapend geweld plaatsvond van een omvang en ernst die volgens het internationaal recht daarvoor maatgevend zijn.[ii] In hoeverre was het torpederen van een Iraans fregat in maart 2026 door een Amerikaanse onderzeeboot in de EEZ van Sri Lanka verenigbaar met het geldend recht, en wat waren de relevante politieke perspectieven? 

De feiten

Er zijn geen officiële, onafhankelijke onderzoeksrapporten over deze torpedering openbaar beschikbaar. De feiten steunen deels op nieuwsberichten en (sociale) media, zodat terughoudendheid bij de juridische en politieke beoordeling geboden is.[iii] Op 28 februari 2026 begonnen de VS en Israël een gezamenlijke militaire operatie tegen Iran, naar eigen zeggen om een imminente dreiging af te wenden. Daarvoor is vooralsnog geen publiek verifieerbaar en overtuigend bewijs geleverd. Iran reageerde met militaire en maritieme tegenmaatregelen, waaronder aanvallen op Amerikaanse bases in het Midden-Oosten en de sluiting van de Straat van Hormuz. Daarmee was ook feitelijk sprake van een internationaal gewapend conflict, waardoor het internationaal humanitair recht, inclusief het zeeoorlogsrecht, van toepassing werd tussen de strijdende partijen.


De VS verklaarden levensreddende hulp te hebben verleend.


 De IRIS Dena, gefotografeerd tijdens haar indienststelling in 2021 (foto: Wikimedia Commons)

Op 4 maart 2026 vuurde de USS Charlotte twee Mark 48-torpedo's af op de IRIS Dena. Ten minste één torpedo trof het schip fataal. De aanval vond plaats in de EEZ van Sri Lanka, ongeveer 20 zeemijl ten zuidwesten van het eiland. Kort na de aanval zond de IRIS Dena een noodsignaal uit. Omdat het incident binnen het Search & Rescue (SAR)-gebied van Sri Lanka plaatsvond, coördineerden Sri Lankaanse autoriteiten deze zoek- en reddingsoperaties. Het schip zonk binnen enkele minuten. Naar verluidt kwamen ten minste 87 personen om het leven en werden 32 opvarenden gered. De VS verklaarden levensreddende hulp te hebben verleend aan vijandelijke overlevenden, conform het zeeoorlogsrecht. De IRIS Dena werd op haar reis begeleid door de IRIS Bushehr, een Iraans bevoorradingsschip. Dit schip meerde op 5 maart 2026, na een technisch defect, af in Sri Lanka. De 208 opvarenden werden geïnterneerd op Sri Lanka. Na verloop van tijd werden deze zeelieden teruggezonden naar Iran.

Zeeoorlogsrecht en het recht van de zee

Bij internationale gewapende conflicten vormt het humanitair oorlogsrecht het algemene rechtskader voor oorlogshandelingen. Voor oorlogvoering op zee gelden daarnaast specifieke maritieme regels, omdat het zeegebied operationeel en juridisch verschilt van landconflicten. Deze paragraaf bespreekt het zeeoorlogsrecht en de verhouding daarvan tot het internationaal recht van de zee, met name het VN-Zeerechtverdrag.Commandant van de Dena overste Abuzar Zarri ging met zijn schip ten onder (foto: Indian Navy | X.com)Commandant van de Dena overste Abuzar Zarri ging met zijn schip ten onder (foto: Indian Navy | X.com)

Zeeoorlogsrecht

Na de Tweede Wereldoorlog werden het Tweede Verdrag van Genève[iv] en later de Aanvullende Protocollen van 1977[v] belangrijk, omdat deze verdragen de algemene humanitaire beginselen toepassen op maritieme conflicten. Gezaghebbende hedendaagse handboeken, zoals de San Remo Manual, het Commander's Handbook en de Newport Manual of Naval Warfare[vi], zijn niet bindend, maar geven wel richting aan de uitleg van het beperkte formele zeeoorlogsrecht. Dat recht steunt op een combinatie van verouderde verdragen, gewoonterecht, beperkte jurisprudentie en op gezaghebbende richtlijnen, waardoor het deels versnipperd en verouderd is.

Recht van de zee

Het VN-Zeerechtverdrag blijft ook tijdens een internationaal gewapend conflict op zee gelden, tenzij het zeeoorlogsrecht als bijzonder regime voorrang heeft. Dat betekent concreet het volgende:

  • In vredestijd regelt het VN-Zeerechtverdrag onder meer de vrijheid van scheepvaart op de Volle Zee en in de EEZ, evenals de onschuldige doorvaart door de Territoriale Zee (TZ);
  • in oorlogstijd blijven veel bepalingen van het VN-Zeerechtverdrag van kracht, maar moeten zij worden gelezen in samenhang met het zeeoorlogsrecht;
  • bij strijdigheid tussen beide rechtsregimes hebben de bijzondere regels van het zeeoorlogsrecht voorrang, bijvoorbeeld bij blokkades, visitatie en aanvallen op vijandelijke oorlogsschepen.

Kortom: het VN-Zeerechtverdrag blijft grotendeels gelden tijdens zeeoorlogen, maar wordt aangevuld en/of beperkt door het zeeoorlogsrecht.

Tabel 1: internationaal zeerecht gedurende vredes- en oorlogstijdTabel 1: internationaal zeerecht gedurende vredes- en oorlogstijd

De onderzeeboot in het zeeoorlogsrecht

Traditionele duikboten voeren doorgaans aan de oppervlakte en doken slechts tijdelijk onder om aan te vallen of te ontsnappen. Moderne onderzeeboten zijn daarentegen ontworpen voor langdurige operaties onder water, waaronder aanvallen. 

Binnen het zeeoorlogsrecht vormden onderzeeboten veelal een afzonderlijk leerstuk. Omdat een alomvattend verdragsregime ontbreekt, steunt hun juridische status tegenwoordig vooral op gewoonterecht en algemene beginselen van het humanitair oorlogsrecht.

In beide wereldoorlogen werden vijandelijke oppervlakteschepen vaak zonder waarschuwing aangevallen door duikboten. Deze praktijk werkte later door in onder meer de Neurenbergse jurisprudentie[vii] en de San Remo Manual. Tegenwoordig gelden onderzeeboten als rechtmatige middelen van oorlogsvoering op zee, mits zij de algemene beginselen van het humanitair oorlogsrecht naleven, inclusief de zorgplicht voor alle gewonden, zieken en schipbreukelingen (reddingsplicht).

Het Los Angeles-klasse fast attack submarine USS Charlotte tijdens oefening Rim of the Pacific, 22 juli 2026 (foto: U.S. Department of War)Het Los Angeles-klasse fast attack submarine USS Charlotte tijdens oefening Rim of the Pacific, 22 juli 2026 (foto: U.S. Department of War)

Internationale wateren 

Bij gewapende conflicten op zee wordt onderscheid gemaakt tussen neutrale wateren, wateren van strijdende partijen en internationale wateren. Vijandelijkheden zijn in neutrale territoriale wateren in beginsel verboden, maar toegestaan in wateren van strijdende partijen en in internationale wateren, zoals de Volle Zee en de EEZ.[viii] De aanval op de IRIS Dena vond plaats in de EEZ van Sri Lanka en daarmee binnen internationale wateren, waar maritieme oorlogsvoering in beginsel is toegestaan.

Militair doel

Aanvallen mogen alleen op militaire doelen worden gericht. Een object is een militair doel wanneer het door aard, ligging, bestemming of gebruik daadwerkelijk bijdraagt aan militaire operaties, en de vernietiging, verovering of neutralisatie ervan concreet militair voordeel oplevert.[ix] Een oorlogsschip kan daarom in beginsel een militair doel zijn, mits de beginselen van het humanitair oorlogsrecht ook worden nageleefd:

  • Een aanval is verboden als de verwachte burgerschade onevenredig is aan het militaire voordeel.
  • Redelijke maatregelen moeten burgers en civiele objecten zoveel mogelijk ontzien.
  • Bij gerede twijfel moet een object als civiel worden behandeld.

Vijandelijke oorlogsschepen zijn, behalve in neutrale wateren, rechtmatige militaire doelen. De afstand tot hun thuishaven is juridisch niet relevant. Een oorlogsschip verliest die status wanneer het duidelijk en tijdig overgave kenbaar maakt; in deze casus lijkt daarvan geen sprake. Er bestaat geen algemene plicht om te waarschuwen of overgave te eisen. Onbevestigd is dat de USS Charlotte tweemaal zou hebben gewaarschuwd. Dat de aanval door een onderzeeboot werd uitgevoerd, is juridisch niet doorslaggevend. Hetzelfde geldt voor de mogelijke gaststatus bij India en het eventuele ongewapende karakter van de IRIS Dena.Commandant van het USS Charlotte, commander Thomas Futch (bron: Historica)Commandant van het USS Charlotte, commander Thomas Futch (bron: Historica)

Redding van de bemanning van de IRIS Dena

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de behandeling (eliminatie) van overlevenden van Duitse duikbootaanvallen veel aandacht tijdens het proces tegen admiraal Dönitz te Neurenberg, inclusief zijn ‘Laconia Order’.[x] Zijn onbeperkte duikbootoorlog werd strijdig geacht met het London Naval Treaty,[xi] hoewel ook geallieerde duikboten vergelijkbare methoden toepasten. Beide belligerenten erkenden dat waarschuwingen en verplichte zoek- en reddingsacties vaak achterwege bleven, onder meer vanwege de beperkte ruimte aan boord en het risico dat verdere operationele opdrachten in gevaar zouden komen.

Deze ervaringen beïnvloedden het naoorlogse zeeoorlogsrecht. Artikel 18 van de Tweede Geneefse Conventie verplicht partijen nu om na een confrontatie eigen en vijandelijke schipbreukelingen, gewonden en zieken te redden en de doden te bergen. Het Commander's Handbook en de Newport Manual bevestigen dit, maar koppelen de plicht aan militaire noodzaak. Bij onderzeeboten kunnen beperkte ruimte en het risico op ontdekking de reddingsacties bemoeilijken. Zij moeten daarom, waar mogelijk, de positie van overlevenden doorgeven aan oppervlakteschepen, luchtvaartuigen of walautoriteiten, en redelijke hulp bieden, zoals reddingsmiddelen, voedsel, water, noodsignalen of het waarschuwen van lokale autoriteiten.


Redding van schipbreukelingen is een fundamentele plicht voor een onderzeeboot, maar moet worden afgewogen tegen haalbaarheid en veiligheid.


De jurisprudentie na de Tweede Wereldoorlog geeft daarbij de grenzen aan: een onderzeebootcommandant mag overlevenden achterlaten wanneer opduiken of hulp bieden zijn eigen schip in direct gevaar brengt, maar mag overlevenden nooit actief aanvallen of hun reddingsmiddelen vernietigen, ongeacht de militaire noodzaak. 

In het huidige zeeoorlogsrecht bestaat dus wel een plicht om schipbreukelingen, gewonden en zieken te zoeken en te redden, maar deze plicht is niet absoluut. Een commandant van een onderzeeboot moet tegenwoordig de humanitaire verplichtingen zoveel mogelijk naleven, maar deze mogen de veiligheid van het eigen schip of de militaire opdracht niet onredelijk in gevaar brengen. Wel moet de commandant van een onderzeeboot, indien mogelijk, alternatieve maatregelen overwegen, zoals het doorgeven van de locatie aan reddingsdiensten, neutrale schepen of de tegenpartij, zodat een reddingsoperatie kan plaatsvinden.[xii] Kortom, redding van schipbreukelingen is een fundamentele plicht voor een onderzeeboot, maar moet worden afgewogen tegen operationele haalbaarheid en militaire veiligheid.

Politieke perspectieven

Juridische normen, zoals hiervoor toegepast, zijn in de kern vaak mede het resultaat van politieke keuzes.[xiii] Veel wetten worden gevormd door ideologieën en de maatschappelijke visies van politieke partijen. Terwijl rechters onafhankelijk zijn en rechtspreken op basis van wetten, bepalen politici via democratische besluitvorming welke normen en waarden in de wet worden verankerd. Er bestaat dus een voortdurende wisselwerking tussen politiek en recht, waarin politieke ideologie, rechtspositivisme, maatschappelijke verandering en rechterlijke toetsing elkaar beïnvloeden. In het voorgaande is de torpedering van de IRIS Denauitsluitend langs de strikt juridische meetlat gelegd. Voor een volledig beeld en context is het echter van belang ook de politieke perspectieven van beide belligerenten in de beschouwing te betrekken.

Iraans perspectief

Relevante punten in de Iraanse visie zijn:

  • Vermeende schending van internationale normen. Teheran stelde dat de IRIS Denain internationale wateren voer en geen aanval uitvoerde. Iran presenteerde het schip als onderdeel van een legitieme marine-aanwezigheid en een diplomatiek-militaire oefenmissie.
  • De Iraanse regering gebruikte de aanval om de VS af te schilderen als een macht die militaire superioriteit inzet tegen een zwakker land. De omgekomen bemanningsleden werden in Iran als martelaren herdacht.
  • Binnenlandse legitimatie. De aanval paste in het bredere Iraanse narratief dat de Islamitische Republiek wordt bedreigd door de VS en bondgenoten, en versterkte de boodschap dat Iran zich moet blijven verdedigen tegen buitenlandse druk.
  • Regionale machtsstrijd. Iran zag de aanval niet als een geïsoleerd incident, maar als onderdeel van een langdurige Amerikaanse poging om de Iraanse invloed in het Midden-Oosten en daarbuiten terug te dringen.

Kort samengevat: Iran zag de torpedering als bewijs dat de VS een imperialistische vijand zijn, die Iran militair wil isoleren en vernederen.

Amerikaanse functionarissen benadrukten dat het schip bewapend was en een bedreiging kon vormen. Afgebeeld: hoofd van de Joint Chiefs of Staff GEN Dan Caine en Secretary of War Pete Hegseth, februari 2026 (Shutterstock | 2747572779)Amerikaanse functionarissen benadrukten dat het schip bewapend was en een bedreiging kon vormen. Afgebeeld: hoofd van de Joint Chiefs of Staff GEN Dan Caine en Secretary of War Pete Hegseth, februari 2026 (Shutterstock | 2747572779)

 

Amerikaans perspectief

Belangrijke punten in de Amerikaanse visie zijn:

  • Uitschakelen van militaire capaciteit. Washington beschouwde de IRIS Denaals een oorlogsschip dat deel uitmaakte van de Iraanse marine en dus een legitiem doelwit tijdens een gewapend conflict. Amerikaanse functionarissen benadrukten dat het schip bewapend was en een bedreiging kon vormen.
  • Door een modern Iraans fregat te vernietigen wilden de VS laten zien dat de Iraanse marine kwetsbaar is, ook buiten de Perzische Golf.
  • Beperken van Iraanse projectie. Iran had de laatste jaren geprobeerd zijn invloed en militaire aanwezigheid uit te breiden via raketten, drones en maritieme operaties; het uitschakelen van een belangrijk Iraans schip had een signaalfunctie.
  • Behoud van Amerikaanse geloofwaardigheid. De VS wilden tonen dat aanvallen op Amerikaanse belangen of bondgenoten gevolgen hebben, en dat de Amerikaanse marine wereldwijd kan optreden.

Kort samengevat: Washington zag de torpedering als een noodzakelijke militaire operatie om Iraanse capaciteiten te verminderen en afschrikking te herstellen.

Fundamentele verschillen in politieke perspectieven

De kern van het conflict lijkt op een botsing tussen twee tegengestelde veiligheidsbeelden: Iran beschouwt zijn militaire activiteiten als defensie tegen Amerikaanse druk, terwijl de VS veel Iraanse militaire activiteiten beschouwen als destabiliserend gedrag dat moet worden ingeperkt.

Kruit tabel2Tabel 2: enkele fundamentele verschillen in politieke perspectieven

Tot slot

Op basis van het voorgaande lijkt de torpedering van de IRIS Dena door de USS Charlotte naar zeeoorlogsrecht juridisch verdedigbaar. Dit geldt zowel voor de plaats van de aanval als voor de kwalificatie van het fregat als militair doelwit. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de aanval in strijd was met het zeeoorlogsrecht.[xv]


Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de aanval in strijd was met het zeeoorlogsrecht.


De reddingsplicht blijft een belangrijk aandachtspunt. De beoordeling daarvan hangt vooral af van wat onder de concrete militair-operationele omstandigheden haalbaar was. De beschikbare bronnen wijzen erop dat in elk geval gedeeltelijk aan deze plicht is voldaan, onder meer door externe hulp in te roepen en snelle zoek- en reddingsacties mogelijk te maken. Tegelijkertijd kan nader onderzoek naar de reddingsplicht van de USS Charlotte gerechtvaardigd zijn. Op basis van de nu beschikbare informatie lijkt het incident in overeenstemming met het geldende zeeoorlogsrecht en met recente, niet-bindende handboeken en richtlijnen.

De juridische en politieke perspectieven van Iran en de VS lopen fundamenteel uiteen. Hun visies op veiligheid, soevereiniteit en internationale orde verschillen zo sterk dat beide landen dezelfde gebeurtenis wezenlijk anders interpreteren. Waar Iran de torpedering vooral ziet als bevestiging van Amerikaanse agressie en druk, beschouwen de VS de aanval als onderdeel van militaire noodzaak en afschrikking.

Mr. dr. drs. P.J.J. van der Kruit diende van 1973-2004 als zeeofficier bij de Koninklijke Marine en tot 2014 als Universitair Hoofddocent/Senior Onderzoeker bij de Universiteit Utrecht en de Nederlandse Defensie Academie. Heden is hij directeur van het Juridisch Nautisch Adviesbureau JNAB bv. De in deze publicatie verwoorde opvattingen en analyses komen voor rekening van de auteur.

Noten

[i] Zie voor een overzicht van (gewelds)incidenten op zee: www.ukmto.org/recent-incidents.

[ii] Gemeenschappelijk artikel 2 van de Verdragen van Genève (1949); ICTY Prosecuter versus Tadic, Decision on Jurisdiction (1995); www.centruminternationaalrecht.nl; www.icrc.org/faq.

[iii] Geraadpleegde bronnen zijn o.a. Reuters: feitelijke reconstructie, Associated Press (AP): officiële Amerikaanse en Iraanse standpunten, Just Security: juridische analyse.

[iv] Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee, Genève 12 augustus 1949.

[v] Aanvullend Protocol I bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten, Genève 8 juni 1977.

[vi]   San Remo Manual on International Law Applicable to Armed Conflicts at Sea, Cambridge, CUP 1995; The Commander’s Handbook on the Law of Naval Operations (NWP 1-14M), maart 2022; Newport Manual on the Law of Naval Warfare, Stockton Center for International Law, 2023.

[vii] Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal, Londen 8 augustus 1945.

[viii] Para 10-22 San Remo Manual.

[ix] Artikel 52 lid 2 Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949.

[x] Vonnis over Karl Dönitz door het Internationale Militaire Tribunaal van Neurenberg (www.tracesofwar.nl/articles/1716/Vonnis-Karl-D%C3%B6nitz.htm); R. Boyle, ‘The Laconia Affair: A Coalescence of tragedies’, in: The Submarine Review, juli 2003, p.132.

[xi] Tweede Zeeverdrag van Londen, Londen 25 maart 1936.

[xii] Artikel 18 van het Tweede Verdrag van Genève (1949); San Remo Manual on International Law Applicable to Armed Conflicts at Sea (1994); International Committee of the Red Cross (ICRC), FAQ: IHL and the escalating conflict in the Middle East (2026), met een toelichting op de reddingsplicht na maritieme gevechten.

[xiii] In dit artikel is een perspectief het standpunt of de bril waardoor men een situatie bekijkt.

[xiv] T. Clayton, ‘Iran: Background and U.S. Policy’, Report R47321, 22 mei 2025 (www.congress.gov/crs-product/R47321).

[xv] M. Smitt & E. Hutton, ‘Sinking Iran’s Frigate IRIS Dena and the Law of Naval Warfare’, 8 maart 2026 (www.justsecurity.org/133397/sinking-iran-frigate-dena-law-naval-warfare/). Zie voor een andere interpretatie M. Mirinamniha, ‘The Iran War and the Sinking of the IRIS Dena: Assessing the Legality of the U.S. Submarine Attack under International Humanitarian Law’, 6 mei 2026 (www.hriui.com/en/the-iran-war-and-the-sinking-of-the-iris-dena-assessing-the-legality-of-the-u-s-submarine-attack-under-international-humanitarian-law).

 

Gerelateerd

A. Ayebetova | Shutterstock

The future of Transatlantic relations

13 mei 2026

In the coming years, the key in the transatlantic relations lies to sail as close to the wind as possible between total commitment and…

Europe's Maritime Challenges Examined

22 apr 2026

From 6 to 8 April 2025, fourteen international academics and naval professionals gathered in Rotterdam to examine the strategic challenges…

 

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave