75 jaar NAVO
Achtergronden van de eerste maritieme strategie van de verdragsorganisatie
The Treaty we are about to sign marks the end of an illusion: the hope that the United Nations would, by itself, ensure international peace’
Aldus de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Dirk Stikker in een toespraak in Washington kort voordat hij en elf buitenlandse collega’s op 4 april 1949 in Washington het Noord-Atlantische verdrag ondertekenden.[i]
Het NAVO-verdrag kende als meest kenmerkende clausule dat een aanval op één van de lidstaten werd beschouwd als een aanval op alle. Een verdragsorganisatie die beide zijden van de Atlantische Oceaan omvatte, was eind jaren 1940 noodzakelijk geworden door het alarmerend verharden van de onderlinge internationale posities tussen het Westen en het communistische regime in Moskou. De Sovjet-Unie, die in tegenstelling tot de Westelijke geallieerden na 1945 maar zuinigjes een demobilisatie had doorgevoerd, domineerde na WOII dankzij haar enorme militaire aanwezigheid aldaar steeds meer Oost-Europa. Ook had zij tussen 1948-1949 geprobeerd met een blokkade van West-Berlijn dit door de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk beheerde stadsdeel op de knieën te krijgen. Verder was het Amerikaanse Congres eind 1948 ermee akkoord gegaan dat de VS zich voortaan aan internationale collectieve veiligheidsverdragen committeerde. Een historisch moment: Washington liet hiermee eerdere terughoudendheid om structureel bij de verdediging van Europa betrokken te raken varen.[ii]
Na het voorjaar van 1949 kwam het aldra tot de inrichting van NAVO-structuren en bevelslijnen, ook op marinegebied. Hiervoor werd deels teruggegrepen op de organisatie van de in maart 1948 opgerichte Westerse Unie (WU), waar naast Nederland, België en Luxemburg, ook Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk deel van uitmaakten. De bevelstelling ervan was overigens rudimentair van opzet, zeker waar het de betrokken marines betrof. Weliswaar vond onder Brits commando in juni 1949 een eerste grootschalige maritieme WU-oefening plaats, maar deze focuste er vooral op de deelnemende multinationale eenheden enigszins samen te leren werken.[iii]
Kortom: naast het uitwerken van een gezamenlijke militaire strategie, geïntegreerde bevelsstructuren, tactieken en indeling van te verordenen bondgenootschappelijke eenheden op het oude continent, was er de noodzaak tot het opzetten van een vergelijkbare aanpak in aangrenzende wateren van het verdragsgebied. Zeker nu het nieuwe verdedigingspact, in tegenstelling tot de WU, niet alleen een deel van Noordwest-Europa omvatte, maar Noord-Amerika, de noordelijke Atlantische Oceaan en nagenoeg geheel West-Europa (West-Duitsland zonder krijgsmacht incluis[iv]) met de Middellandse Zee. In dit artikel komt de soms moeizame aanzet van de Westerse collectieve maritieme verdediging aan bod. Vooral de nationale strategieën en belangenafwegingen van de dominerende marines, de US Navy (USN) en de Britse Royal Navy (RN), passeren hierbij de revue, alsook het grondbeginsel dat zeestrijdkrachten een onmisbaar element vormen van de strategische afschrikking van het bondgenootschap.
Amerikaanse militaire strategie inzake Europa kort na WOII
Medio 1946 schatten in de VS de Joint Chiefs of Staff (JCS) de Amerikaanse mogelijkheid een Sovjetopmars over land in Europa te stuiten somber in, ondanks het kort ervoor verworven monopolie op atoomwapens. De na de massale naoorlogse demobilisatie resterende 10-15 divisies en 300-400 vliegtuigen waarop de Amerikanen en lokale bondgenoten konden teruggrijpen, waren geen partij voor het Rode Leger met zijn 100 divisies en omvangrijke luchtstrijdkrachten. De militaire top in Washington voorzag dat bij een dergelijk offensief het US Army en overige bondgenootschappelijke eenheden spoedig gedwongen waren Europa te ontruimen. De strategische discussies spitsten zich toe op de vraag waar er op de flanken van het continent een definitieve verdediging kon worden ingericht of een bruggenhoofd realiseerbaar was, om vandaaruit na verloop van tijd de Sovjet-Russische strijdkrachten te neutraliseren en terug te dringen.[v]
Gezien het feit dat USN-vlagofficieren zitting hadden in de JCS, onderschreef de USN inzake de verdediging van Europa in die jaren, gelijk in WOII, dat landpower hierbij het belangrijkste uitgangspunt was. Ook Admiral USN Forrest Sherman benadrukte in januari 1947 in een memo aan VS-president Harry Truman dat, gelet op de na medio 1945 omvangrijke terugtrekking en demobilisatie van Amerikaanse strijdkrachten uit Europa, alsook de geringe militaire slagkracht van het gros van de West-Europese landen, ‘any major assault by the Soviets would quickly overrun, Germany, France, Belgium, Holland and Denmark’. De VS konden derhalve weinig meer doen dan zich terugtrekken in bijvoorbeeld Spanje, Groot-Brittannië en Noord-Afrika. Pas hierna zou dankzij mobilisatie en een eigen militaire opbouw, na een tot twee jaar vanuit de flanken van het oude continent met onder meer amfibische landingen de tegenstander kunnen worden teruggedreven.
'De US Navy onderschreef inzake de verdediging van Europa in die jaren, gelijk in WOII, dat landpower hierbij het belangrijkste uitgangspunt was'
Voornoemd uitgangspunt stond ook vermeld in de USN tentative operational planning 1947. CNO Admiral Chester Nimitz stelde in het verlengde hiervan in juli 1947 in een bericht aan zijn ondercommandanten, dat in geval van oorlog de eerste taak van de Amerikaanse zeestrijdkrachten was ‘to secure the seas’. Dit, opdat hiermee GI’s en Europese eenheden en masse overzee konden worden geëvacueerd. Bij het begin van de vijandelijkheden dienden dan ook zo snel als mogelijk Anti-Submarine Warfare (ASW-)operaties een aanvang te nemen om Sea Lines of Communication (SLOC’s) in de Atlantische Oceaan en nabij de West-Europese kusten open te houden. Hiertoe dienden op IJsland, de Azoren en de Middellandse Zee bases te worden ingericht. Ook moesten op korte termijn maar liefst zestien vliegkampschepen beschikbaar zijn voor sea control-missies. Hun boordvliegtuigen dienden naast het bestoken van zeedoelen, vanaf de flanken inzet te zien tegen oprukkende Sovjet-Russische landstrijdkrachten.[vi] Gelet op de in die strijdfase vermoedelijk al grotendeels vernietigde eigen op het land gestationeerde vliegtuigen, was deze maritieme luchtvloot het weinige wat in/nabij het Europese continent aan Westerse luchtstrijdkrachten resteerde.
De Amerikaanse Joint Chiefs of Staff met betrokken ministers eind 1946. Zittend links Secretary of the Navy James Forrestal en rechts Secretary of War Robert Patterson. Staand van links naar rechts: Major General US Army Air Force Lauris Norstad, Fleet Admiral William Leahy, General of the Army Dwight Eisenhower, Fleet Admiral Chester Nimitz, Vice Admiral Forrest Sherman (foto: US Navy Heritage Command)]
US Navy en de dreiging ter zee
Al met al hield bovenstaande zienswijze van de USN voor dat moment in, dat de Amerikaanse marine bleef benadrukken dat het uiteindelijk bondgenootschappelijke grondinzet was die het tij tegen Sovjet-Rusland diende te keren. Niettemin werd in die pre-NAVO jaren binnen het USN Department als grootste bedreiging ter zee een ‘vigorous’ sovjetonderzeebootcampagne gezien tegen vooral de Atlantische zeelijnen. Tevens leefden er zorgen over de Sovjet marineluchtvaartdienst. De Commander in Chief, US Atlantic Fleet (CINCLANTFLT) benadrukte dat het bijstaan van de scheepvaart ter ondersteuning van VS- en overige bondgenootschappelijke militaire campagnes, alsook de geallieerde economie, vanaf het begin van vijandelijkheden de hoogste prioriteit moest krijgen.
Maatregelen in dezen waren onder meer konvooiering en de escortering van dit zeetransport. De Amerikaanse marineleiding verwachtte gezien de relatief kleine Rode Bovenwatervloot, geen grote zeeslagen op de Noord-Atlantische Oceaan, maar veeleer eigen power projection op de flanken van Europa. Wél voorzag ze dus een grote bedreiging van de als fors ingeschatte Rode Onderzeebootvloot, temeer deze gelijktijdig met het Rode Leger vier aaneensluitende weken in het offensief zou gaan. In die jaren deden schattingen door inlichtingendiensten de ronde van ruim 300 Sovjetonderzeeboten opererend in de Atlantische Oceaan zuidelijk van GIUK. Vooral de vermeende inzet van de door de Geallieerden als superieur bevonden modernste klasse Duitse WOII-onderzeeboten van het type XXI, waarvan de Sovjets er twintig zouden bezitten, baarde zorgen.[vii] Amerikaanse zeetransporten nabij Groot-Brittannië, de Golf van Biskaje en in de westelijke Middellandse Zee konden door toedoen van deze onderzeese armada worden afgesneden. Slechts een ‘aggressive anti-submarine campaign’, inzet van carrier strikes, anti-onderzeeboot-onderzeeboten (een nieuw concept), barrier patrols, konvooi-escorte, hunter killer-groepen alsook grootscheepse mijnenleg nabij Sovjethavens, dienden te worden opgezet. Een groot probleem bij al deze voornemens was dat het de VS aan afdoende inzetmiddelen ontbrak en budgetbeperkingen nieuwbouwplannen deden stranden. Als oplossing voor dit vraagstuk keek de USN over de Atlantic naar het Verenigd Koninkrijk en noordelijk naar Canada.[viii]
Angelsaksische samenwerking (en discussie) als voorland van een maritiem NAVO-commando
De hierboven gesignaleerde Sovjetonderzeeboot-scare leidde medio 1946 al tot contacten tussen de USN, de RN en de Royal Canadian Navy (RCN). CNO Nimitz verklaarde in juli van dat jaar dat een van de hoofddoelen van het Amerikaanse marinebeleid de ‘formulation of a coordinated naval policy with approriate members of the British Commonwealth’ diende te zijn. In dit verband verwees hij nadrukkelijk naar beveiliging van de SLOC’s nabij Groot-Brittannië en in de Middellandse Zee. Hoofdreden voor deze samenwerking was als gezegd dat het de USN aan de benodigde middelen ontbrak om in een oorlog tegen een peer opponent als de Sovjet-Unie een veilige passage van de Westerse scheepvaart over de Atlantic te kunnen garanderen. Het enige wat daarnaast uitkomst bood, was in de ogen van de Amerikaanse marine een offensieve maritieme strategie. Zoals Admiral Forrest Sherman het duidde: ‘high emphasis on attack at the sources of the trouble’, te weten aanvallen vanaf carriers in de Noordelijke Atlantic en de Noorse Zee/Noordzee tegen Sovjet onderzeebootbases om deze vaartuigen aldaar tezamen met hun logistieke infrastructuur te vernietigen en zo interdictie van de Westerse zeelijnen te voorkomen. Het was een maritieme strategie die de RN overigens niet (volledig) onderschreef. De Admiralty in Londen meende dat een dergelijke aanpak louter aanvullend kon zijn naast een defensieve hoofdstrategie met konvooi-escortes en hunter killer-groepen bestaande uit carriers en destroyers nabij een konvooi.
In de loop van 1947 nam het aantal contacten tussen de USN, RN en RCN allengs toe. Vooral Rear Admiral USN Charles Styer, de Amerikaanse ASW-coördinator, had hierin een voortrekkersrol. Hij was doordrongen van de noodzaak te komen tot vergaande onderlinge coördinatie van de betrokken marines, om zo de Atlantische SLOCs veilig te kunnen stellen in een oorlog met Moskou. Vooral dankzij hem kwam het tot reguliere geheime bezoeken en discussies in het VK en de VS tussen USN- en RN-officieren over ASW-projecten en gezamenlijk maritiem beleid. Eenzelfde aanpak volgde met de Canadezen. Hierop kwam het tot de structurele plaatsing van een Canadese officier bij de USN Atlantic Fleet Staff, en kregen RCN-schepen tijdens gezamenlijke ASW-oefeningen inzage in Amerikaanse instructieboeken om deze exercities beter te doen verlopen.[ix]
Het vliegkampschip USS Valley Forge verlaat de Britse vlootbasis Gibraltar op weg naar Noorwegen, voorjaar 1948. Met dit vlagvertoon moest, naast enige deterrence, het belang van carrier taakgroep-inzet op de flanken van Europa worden uitgedragen (foto: US Naval Heritage Command)
In april 1948 opperde de Britse Joint Planning Staff het contingency plan Doublequick. Het betrof een bondgenootschappelijke commandostructuur voor de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee in oorlogstijd. Een USN-vlagofficier zou hierbij de centrale en zuidelijke Atlantische Oceaan commanderen, terwijl een Britse admiraal de scepter zwaaide over alle operaties in de noordelijke Atlantische Oceaan. Een RN-vlagofficier zou eveneens de Middellandse Zee commanderen. In het laatste geval kon te zijner tijd een Amerikaan dit bevel overnemen zodra, zoals verwacht, het aantal USN-eenheden in dit operatiegebied de overhand kreeg over die van de Britse vloot. De Amerikanen stelden van hun kant in november 1948 voor, óók een USN-officier aan te stellen voor de functie van supreme commander North Atlantic. Dit tot onvrede van de Britten, die meenden dat deze USN-officier dan enkel ‘overall direction’ maar geen ‘control’ kon hebben over de operaties in voornoemde wateren. Bovendien diende deze Amerikaan een gecombineerde USN-, RN- en RCAN-staf te krijgen, opdat de invloed van het Britse Gemenebest in een dergelijk hoofdkwartier gegarandeerd was. Tot het voorjaar van 1949 bleef de opzet van dit specifieke HQ een punt van diepgaande discussie (en irritatie) tussen de drie betrokken marines.[x] Een verder knelpunt bleef Britse vrees dat de USN in de strijd tegen de Rode Onderzeebootvloot te veel nadruk zou leggen op de eerder aangehaalde aanvallen ‘at source’ en niet dezelfde mate van verdediging van konvooien en SLOC’s zouden doorvoeren als de RN. Naast enig chauvinisme wogen hier bovenal eigen nationale strategische belangen mee; de defensie van de SLOC’s die de Britse economie en veiligheid garandeerden zouden zo onder Amerikaans bevel vallen. Wat hierbij niet hielp was dat Admiral USN Lynde McCormick tussentijds aangaf weinig op te hebben met het succesvolle Britse WOII-konvooisysteem en opperde schepen met versterkingen en strategische brandstoffen individueel te laten varen, totdat er voldoende escortevaartuigen beschikbaar waren om met konvooien te gaan opereren.[xi]
‘Naast enig chauvinisme wogen hier bovenal eigen nationale strategische belangen mee’
Naar een meer maritieme NAVO-strategie?
In februari 1949 drong (acting) Chairman van de Amerikaanse JCS en toekomstig SACEUR van de NAVO General Dwight D. Eisenhower er nadrukkelijker dan voorheen op aan, dat VS-eenheden een Sovjet-Russische opmars waar mogelijk dienden te stuiten bij de Rijn, of moesten standhouden in een substantieel bruggenhoofd in West-Europa. Indien dit onmogelijk was, moesten er versterkingen beschikbaar komen ‘to return at the earliest possible moment to Western Europe in order to prevent Communization of that area with long-term disastrous effects on US national interests.’[xii]
CNO Admiral USN Louis Denfeld (foto: foto: US Naval Heritage Command)
In het verlengde van deze nog immer sterk op landoptreden en evacuatie geënte insteek, hamerde de USN op een strategie die meer het behoud van een zo oostelijk mogelijk front op het oude continent voorstond. CNO Admiral Louis Denfeld zette namelijk grote vraagtekens bij een strategie die terugtrekking achter de Pyreneeën en op Groot-Brittannië voorstond, met daarnaast ‘enkel’ strategische luchtaanvallen met kernwapens om zo het door Moskou gedomineerde Euro-Aziatische continent te verzwakken en op termijn een amfibische ‘re-entry’ met nieuwe en omvangrijkere geallieerde strijdkrachten mogelijk te maken. De nu voorliggende strategie, aldus de vlagofficier, ‘abandoned Western Europe to the Soviets without a struggle, thus in effect handing over the manpower resources and industrial capacity of the region for the use of the Kremlin’. Verder betwijfelde hij of een Westerse eindoverwinning wel zo vanzelfsprekend was, indien er op voorhand zo veel grondgebied, industriële slagkracht en kolen- en olievelden werd prijsgegeven.[xiii]
Bij deze kritische zienswijze van de USN zij opgemerkt dat ze op dat moment in het US Congress in een zware budgetstrijd was verwikkeld met de jonge verzelfstandige en politiek invloedrijke US Air Force (1947). De vlagofficier wilde de bouw van een nieuwe carriervloot veiligstellen nu de luchtstrijdkrachten met succes een nieuwe generatie van B-36 langeafstand-bommenwerpers hadden weten te bepleiten. Lees: Denfeld wilde aantonen dat vliegkampschepen en hun boordtoestellen nuttiger waren om eigen grondtroepen in Europa bij te staan dan strategische bommenwerpers. De visie van de Admiral, alsook die van andere bondgenootschappelijke CNO’s zoals die van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk maar ook Nederland, ging uit van een grotere rol voor de bondgenootschappelijke verdediging door zeestrijdkrachten, dan tot dan toe was voorzien. Door in de eerste fase van een oorlog met Sovjet-Rusland niet uit te gaan van een massale terugtrekking uit West-Europa, maar juist een uiterste inspanning te plegen om bijvoorbeeld aan de Rijn stand te houden, werd de rol van bondgenootschappelijke marines belangrijker. Zij moesten de overzeese bevoorrading en versterking van deze standvastig verdedigende eenheden veiligstellen en dus breed worden uitgebouwd. Met andere woorden: naval power diende een (veel) groter deel te gaan omvatten van de voorziene Noord-Atlantische militaire afschrikkingsmacht.
De vooral door Denfeld krachtig bepleite strategie van een meer oostelijk gelegen Westerse verdediging, bracht met zich mee dat op de Atlantische SLOC’s direct na het begin van de vijandelijkheden een konvooisysteem moest aftrappen. Dit vroeg weer om meer en flexibel inzetbare zeestrijdkrachten van alle bondgenoten voor onder andere ASW- en Mine Counter Measures (MCM-)operaties. Dit vroeg op zijn beurt om verhoogde surveillance-inzet in vredestijd en hiermee vergaande coördinatie van betrokken bondgenootschappelijke marines. Naast voornoemde defensieve maritieme operaties hield, weinig verrassend, de USN vast aan deep strike aanvallen vanaf carriers op het Rode Leger. Ook deze offensieve missies dienden bij een conflict terstond plaats te vinden. Dit vereiste dat de USN, maar ook overige bondgenootschappelijke carriertaakgroepen, zich al tijdens crises voorafgaand aan vijandelijkheden in vooruitgeschoven flankposities moesten ophouden zoals in de Noorse Zee.[xiv]
Bijeenkomst met ministers van Buitenlandse Zaken in Washington voor de ondertekening van het van het Noord-Atlantische verdedigingsverdrag, 4 april 1949 (foto: NAVO)
Opzet van een Noord-Atlantische marine-organisatie
Na ondertekening van het NAVO-verdrag in april 1949 en de ratificering ervan vier maanden later, beschikte het bondgenootschap als opgemerkt nog niet over een geïntegreerde militaire structuur. Wel omvatte de jonge alliantie een Defence Committee met hierin de betrokken ministers van Defensie en een Military Committee met afgevaardigden van de nationale Chefs van Staven. Het laatste gremium verstrekte richtlijnen aan de zogeheten Standing Group waarin de VS, het VK en Frankrijk leading waren. Deze coördineerde vijf Regional Planning Groups. Nadat in september 1949 de Amerikanen het Britse idee verwierpen een USN Admiral slechts het mandaat van aansturing – maar niet de controle – over de Atlantische operaties te geven, kwam een maand daarna voor het eerst de Regional Planning Group North Atlantic bijeen. Hierin namen de Chiefs of Naval Staff zitting van alle lidstaten met havens aan de Atlantische Oceaan of de hiermee verbonden Noordzee, te weten: de VS, het VK, Canada, alsook Frankrijk, Nederland, België, Noorwegen en Portugal. Zij dienden plannen te maken voor een unified defence voor de Noordelijke Atlantic. De subwerkgroep offensieve operaties was hierbij enkel toebedeeld aan de USN en RN, met Frankrijk als gedelegeerde. Dit orgaan diende de verdediging van de SLOC’s op te zetten en een begin te maken met de ‘organization, control and protection of convoys and shipping against air, surface and submarine attack, including counter-offensive, anti-submarine operations’.[xv]
‘In Nederland viel buitenlandse bejegening zo kort na de deels door internationale druk bedongen Indonesische onafhankelijkheid, bepaald verkeerd’
Nederland ontbrak in deze belangrijkste Working Group, omdat het er in de visie van de Standing Group geen taak had. In Nederland viel deze buitenlandse bejegening zo kort na de deels door internationale druk bedongen Indonesische onafhankelijkheid, bepaald verkeerd. De KM speelde handig op deze gevoelens in door plannen voor een oceaanvloot te onderbouwen met verwijzingen naar het glorieuze vaderlandse maritieme verleden.[xvi] Een geïrriteerde minister Stikker bepleitte hierop in de Noord-Atlantische Raad dan ook met klem dat alle lidstaten bij strategische vraagstukken moesten worden betrokken, omdat een geïntegreerde bondgenootschappelijke defensie anders bij overige geallieerde landen op weinig steun kon rekenen. Nederland kreeg hierop eind 1950 door de Standing Group alsnog een ‘secundaire’ taak ter zee, naast MCM-operaties in de Noordzee. Het betrof ASW op de Noordelijke Atlantic met onder andere de escortcarrier Hr.Ms. Karel Doorman, enige destroyers en onderzeeboten. Ook werd de KM voortaan bij de planning van ‘offensieve’ missies betrokken.[xvii]
Conclusie
Niettegenstaande een aanvankelijk grotendeels continentale blik en een budgetstrijd tussen de VS-krijgsmachtdelen alsook internationale strategische rimpelingen tussen de (grotere) marines,[xviii] kwam het in de jaren 1946-1949 tot een meer maritiem georiënteerd strategisch concept voor de 75 jaar geleden opgerichte verdragsorganisatie. Het bondgenootschap omarmde al snel een strategisch concept dat, zoals onderzoeker Walter Mills het samenvatte, ‘put much greater emphasis on sea communications, seaborne weapons and seabased combined operations’ als een essentieel onderdeel van de NAVO-afschrikking, waardoor de alliantie beter in staat was Sovjet-Russische militaire agressie over land te voorkomen.[xix] De ultieme erkenning door de NAVO-leiding van het belang van de Noord-Atlantische Oceaan voor de verdediging van het verdragsgebied alsook maritieme deterrence, kwam er in december 1950. Mede onder invloed van de Koreaoorlog waarin marines evenmin waren weg te denken, besloten de hoogste politieke vertegenwoordigers in de Noord-Atlantische Raad de navale planning voor deze wateren onder een Amerikaans unified command te plaatsen; de in januari 1952 aangetreden Supreme Allied Commander Atlantic (SACLANT).
Noten
[i] S.I.P. van Campen, The Quest for Security. Some Aspects of Netherlands Foreign Policy 1945-1950 (Den Haag, 1958) 109.
[ii] D.C.L. Schoonoord, Pugno Pro Patria. De Koninklijke Marine in de Koude Oorlog (Franeker 2012) 41.
[iii] Anselm van der Peet, ‘Het vergeten Verdrag van Brussel: voortrekker van de NAVO en internationale leerschool voor de Koninklijke Marine’, Marineblad 128, 2 (2018) 28-32; SHAPE History 1951-1952. The Origin and Development of SHAPE Publicly Disclosed, facsimile (2012) 8.
[iv] De Bondsrepubliek mocht pas na de Verdragen van Parijs in 1955 over eigen strijdkrachten beschikken.
[v] D.A. Rosenberg, ‘The U.S. Navy and the Problem of Oil in a Future War: The Outline of a Strategic Dilemma, 1945-1950’, Naval War College Review Vol. XXIX, No. 1 Summer (1976) 53-64, aldaar 61; SHAPE History 1951-1952, 13-14. Zie ook: J.F. Schnabel,.The Joint Chiefs of Staff and National Policy 1945–1947. History of the Joint Chiefs of Staff. Vol. I. Office of Joint History Office of the Chairman of the Joint Chiefs of Staff (Washington, D.C. 1996) 63-109. De in voornoemde jaren door het JCS achtereenvolgens opgezette plannen Pincher, Broiler en Halfmoon voorzagen bijvoorbeeld in een terugtrekking achter de Pyreneeën.
[vi] Joel J. Sokolsky, Seapower in the Nuclear Age. The United States Navy and NATO 1949-80, Naval Institute Press (Annapolis, Maryland 1991) 7-8.
[vii] Sokolsky, Seapower in the Nuclear Age, 9, Williamson, U.S. Navy and Its Cold War Alliances, 75-76.
[viii] D.A. Rosenberg, ‘American Postwar Air Doctrine and Organization: The Navy Experience’, in: A.F. Hurley and R.C. Ehrhart (eds.), Air Power and Air Warfare (Washington DC 1978) 261.
[ix] Williamson, U.S. Navy and Its Cold War Alliances, 76-79.
[x] Sean M. Maloney, Securing Command of the sea: NATO Naval Planning 1948-1954 (Naval Institute Press (Annapolis, MD 1995) 56-57.
[xi] Williamson, U.S. Navy and Its Cold War Alliances, 81.
[xii] Sokolsky, Seapower in the Nuclear Age, 15.
[xiii] Kenneth W. Condit, The Joint Chiefs of Staff and National Policy Volume II 1947-1949 Office of Joint History Office of the Chairman of the Joint Chiefs of Staff (Washington, DC 1996) 155, 170, 183-184.
[xiv] Sokolsky, Seapower in the Nuclear Age, 15-16. Zie voor verdere strategisch-tactische achtergronden over deze vooruitgeschoven carrier groepen: Anselm van der Peet, ‘Mainbrace september 1952 ‘moeder’ van alle grote maritieme oefeningen op de NAVO-Noordflank’, Marineblad 132, 6 (2022) 28-35.
[xv] SHAPE History 1951-1952, 14-16; Sokolsky, Seapower in the Nuclear Age, 13-14.
[xvi] Anselm van der Peet, Out-of-area. De Koninklijke Marine en multinationale vlootoperaties, 1945-2001 (Franeker 2016) 48-52.
[xvii] Schoonoord, Pugno Pro Patria, 44.
[xviii] De Britse regering legde zich eind 1951 neer bij een USN supreme commander in de North Atlantic.
[xix] Walter Mills, ‘Seapower: Abstraction or Asset?’, Foreign Affairs Vol. 29, No. 3 (April (1951). 371- aldaar 382-383.
Gerelateerd
'Verblijven in de afgrond van de hel!'
In het Nationaal Archief te Den Haag zijn de werfboeken van Harlingen daterend tussen 1798-1808 te vinden. Dit archiefmateriaal is voor dit…
Het leven van een marnier-arts tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog
In de Normandische havenstad Cherbourg koopt eerste luitenant-vlieger Frans Lutz zijn eerste dagboek. De 28-jarige vlieginstructeur van de…
Nederlanders aan boord van Hitlers vlaggenship
Tenminste 35 Nederlandse dienstvrijwilligers werden – als enige niet-Duitsers – op Hitlers vlaggenschip de Tirpitz geplaatst. Wie waren…

