Buitenlandse militaire hulp tijdens de watersnood van 1953
Het rampgebied rond Brouwershaven (foto: collectie NIMH)

‘Duizenden geallieerde militairen, noodhulp onderweg …’

Buitenlandse militaire hulp tijdens de watersnood van 1953

Op donderdag 1 februari 2024 stond de gemeente Schouwen-Duiveland stil bij de Watersnoodramp, die 71 jaar geleden plaatsvond in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953. Veel overlevenden van toen zijn er niet meer. Wel zijn er nog de verhalen die kinderen van de slachtoffers weten te vertellen. Wordt in deze verhalen slechts sporadisch gerefereerd aan de inzet van Nederlandse militairen bij de hulpverlening, de hulp die talloze buitenlandse militairen verstrekten, ontbreekt volledig. Alleen hun helikopterinzet bleef en blijft tot de verbeelding spreken.

 

‘The Netherlands had suffered a major disaster. The geography of the country had been changed and there were islands now under water which might never be recovered. More land was under water than had been submerged during the war. The whole river front between the Hook and Rotterdam, with its wharves and factories, had been undermined. The disaster had struck an area of industry, commerce and rich agriculture. A million people were still in difficulties. It was impossible as yet to evaluate the damage that had been done to the national life, but there was no doubt that it would set the Netherlands back very far in every sense. The Netherlands Government had only recently stated that they did not require further economic assistance from the United States; they could hardly say this now’.

D.U. Stikker, Nederlandse ambassadeur in Londen, 3 februari 1953

In de National Archives te Kew in Londen ligt nog veel onbekend materiaal met betrekking tot de buitenlandse militaire hulp. Vooral de situatierapporten van de Engelse ambassadeur in Den Haag, Sir Neville Butler, leveren een schat aan informatie op over de aard van de ramp en over de Amerikaanse, Belgische, Britse, Duitse en Franse inzet. In dit artikel staan de bijdragen van de buitenlandse militairen in de eerste weken van februari en de afstemming met de Nederlandse autoriteiten centraal. Een evaluatie van de inzet door de commandant van het Royal Naval Rhine Squadron vormt het sluitstuk.

Orkaan

Uit een zich bij IJsland ontwikkelende depressie die over Noord-Schotland en de Noordzee zich zuidwaarts verplaatste, ontstond een zeer zware storm met orkaankracht die langer dan 48 uur aanhield. Deze storm stuwde het water in het zuidelijk deel van de Noordzee hoog op richting het Kanaal. Ongelukkigerwijs viel deze storm samen met springtij, een verschijnsel dat zich één keer in de twee weken voordoet. De maan en de zon beïnvloedden dan de hoogte van de eb- en vloedstanden. De windsnelheden langs de Britse oostkust en de Nederlandse westkust vielen samen met hoogwater en springtij. Grote delen van oostelijk Engeland liepen onder water. Ook de dijken in zuidwest-Nederland waren niet tegen dit natuurgeweld bestand met desastreuze gevolgen. Een kolkende watermassa verraste daar mens en dier. Een ramp van ongekende omvang ontwikkelde zich in enkele uren tijds.

1. NIMH 2152 034 010.2Luchtfoto van de Nieuwe-Tonge met een overzicht van het door de ramp getroffen gebied (foto: collectie NIMH)

Het zou echter nog uren duren voordat de omvang van de ramp enigszins duidelijk werd. Om drie uur ’s nachts schoot een landmachtdetachement te hulp bij Raamsdonkveer. Een uur later rukte het Korps Mariniers uit naar de bedreigde dijken bij Nieuwerkerk aan de IJssel en bij Capelle aan de IJssel. Pas om 4.32 uur rolden de eerste alarmberichten van de telex. Het ging om meldingen uit Hoek van Holland, Maassluis, Dordrecht, Zwijndrecht, West-Brabant, Kruiningen en Vlissingen. De Commandant Maritieme Middelen (CMM) Vlissingen was één van de eersten die de Commandant der Zeemacht informeerde.

‘In de National Archives te Kew in Londen ligt nog veel onbekend materiaal met betrekking tot de buitenlandse militaire hulp’

Militairen schieten te hulp

Met behulp van extra radio-uitzendingen op zondagochtend 1 februari beval luitenant-generaal B.R.P.F. Hasselman: ‘In verband met de watersnood gelast de Chef Generale Staf al het beroeps-, reserve- en dienstplichtig personeel, dat in werkelijke dienst is, onmiddellijk naar hun garnizoenen terug te keren’. Rond 18.00 uur had tachtig tot negentig procent zich gemeld.

In de loop van 1 februari droeg de Chef Generale Staf het bevel over alle in Nederland aanwezige onderdelen van de Koninklijke Landmacht (KL) over aan de Nederlandse Territoriale Bevelhebber, luitenant-generaal D.C. Buurman van Vreeden. Hij coördineerde ook de inzet van de Koninklijke Marine en de luchtstrijdkrachten. De chef van de Marinestaf, viceadmiraal A. de Booy, had inmiddels de militairen van de Koninklijke Marine opgeroepen en de directeur van de Rijkswerf te Willemsoord zijn werfpersoneel voor het gereedmaken van allerlei kleine vaartuigen.

Sinds 1951 had Marinevliegkamp Valkenburg de beschikking over een Redding en Coördinatie Centrum en een Opsporings- en Reddingsdienst. Daarnaast was in 1952 door de marineleiding een ‘Regeling hulpverlening door de Koninklijke Marine bij Watersnood’ vastgesteld. Een bruikbaar draaiboek lag klaar. Zodra de eerste onheilsberichten uit het rampgebied naar de bewoonde wereld doorsijpelden, kon CMM Amsterdam, kapitein-ter-zee J.F. van Dulm, als Officier Belast met de Hulp bij Watersnood, personeel, vaartuigen en wegtransport naar het rampgebied dirigeren. Hij had ook de operationele leiding van de inzet van de marine in het rampgebied en later van de buitenlandse maritieme eenheden.

Tienduizenden militairen van de land-, zee- en luchtstrijdkrachten, bijgestaan door duizenden vrijwilligers, voerden vanaf 1 februari een verbeten strijd tegen het water. Honderden mensen in Noord-Brabant, Zeeland en Zuid-Holland werden van de verdrinkingsdood gered en duizenden geëvacueerd. Kilometers dijken werden verstevigd met zandzakken, stroomgaten gedicht en verbindingen hersteld.

Buitenlandse militaire inzet

Britten

Vrij snel was het bij Redding en Coördinatie Centrum op Valkenburg duidelijk dat er te weinig helikoptercapaciteit was om alle reddingstaken naar behoren uit te voeren. Daarom riep het RCC op 2 februari de hulp in van vier Dragonfly-helikopters van de Royal Navy. Vanaf 3 februari nam de Britse hulp in omvang toe met de komst van nog enkele Dragonflies van het Britse squadron 705, Sikorsky S-51 helikopters van British European Airways, een Sycamore MK.3 van vliegtuigfabrikant Bristol,

Verder bood de Britse regering eenheden van het Royal Naval Rhine Squadron in de aan, evenals twee genie regimenten met boten en uitrusting voor reparaties, twaalf zoeklichtunits met personeel, achttien motorboten met bemanning, twaalf watertrailers en 350 reddingsvesten en vijf medische teams. Het 2nd Tactical Air Force (gestationeerd op de vliegbasis in Gutersloh in Duitsland) leverde drie Meteor-vliegtuigen. Zij maakten 28 fotoverkenningsvluchten. De foto’s vonden via Marinevliegkamp Valkenburg hun weg naar de Nederlandse autoriteiten. Een selectie zou later in de bibliotheek van het Britse Lagerhuis worden tentoongesteld. Vanuit West-Duitsland kwamen ook 50.000 zandzakken. Ook de vraag aan de Royal Navy om vijftig ‘immersion suits’ (overlevingspakken) om parachutisten mee uit te rusten, die in het rampgebied zouden worden gedropt, werd gehonoreerd.

9. NL MdbZA 5870 SW 2507

Sluiting van het laatste dijkgat te Ouwerkerk met behulp van Britse Phoenixcaissons uit de Tweede Wereldoorlog (foto: Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland)

4. AKL009111.tjp

Franse militairen en Nederlandse commando's, ingeschakeld voor bijstand tijdens de ramp, bij een Jeep in de Engelbrecht van Nassaukazerne (foto: collectie NIMH)

3. 20221116 100025 v2

Kaart van het rampgebeid met de route van een verkenningsvlucht (National Archives)

2. AIR dossier

Dossier betreffende de Engelse Militaire hulp aan Nederland (bron: National Archives Foreign Office)

 

Fijntjes merkte de Britse ambassadeur op:‘I must also observe that the present disasters have already provided an opportunity for Her Majesty’s Government to demonstrate that they will not neglect their Netherlands partner in time of stress’. Generaal Buurman van Vreeden, kreeg van minister-president Willem Drees opdracht de Britse hulpaanbiedingen in goede banen te leiden.

De eenheden van het Rhine Squadron verzetten bergen werk op Goeree-Overflakkee met het evacueren van mensen en het bergen van kadavers. Op Schouwen-Duiveland en Sint-Philipsland werden de schepen vooral ingezet bij de evacuatie van mensen rond Brouwershaven en het vervoer van zandzakken naar bedreigde dijkgedeelten. Om de boerenbevolking te bewegen te vertrekken zette de CMM Zierikzee, ktz C.J.W. van Waning, met de commandant van het Rhine Squadron ‘Operation Cattle’ op. Talloze koeien en paarden werden met de landingsvaartuigen in veiligheid gebracht, waarna de boeren bereid waren om huis en haard achter te laten.

Op 6 februari 1953 stuurde de Buurman van Vreeden een briefje naar de Britse ambassadeur in Den Haag waarin hij hem bedankte voor de reeds geleverde hulp en aangaf dat er verder geen extra hulp meer nodig was: ‘As the position is now, I feel, after consultation with the responsible civilian authorities, that no help above what has already so promptly been made available by your Forces in Germany is urgently needed. If the situation should deteriorate, you will perhaps allow me to make a further call on your kind cooperation.’

Desondanks ging het Verenigd Koninkrijk verder met het ‘meedenken’. Een ondergeschikte van Air Vice Marshal Sir Charles A.H. Longcroft schreef nog op dezelfde dag: ‘I note with horror, that only a few people at a time can be taken off the ‘dry spots’, in the floods in Holland, and that many will die because of the lack of proper equipment. Apparently, very flat-bottomed, small boats are needed to enable rescuers to get sufficiently near to the imperilled. May I then, with the utmost respect, offer a suggestion, that affects the Royal Air Force? Why not use R.A.F. dinghies, and drop them, (deflated) from aircraft, over the stricken villages?’

Belgen

Al op zondagmiddag 1 februari schoten op eigen initiatief twee compagnieën (475 man) te hulp in Zeeuws-Vlaanderen zonder dat de officiële instanties ervan afwisten. Later werd het Belgische contingent overgeplaatst naar Bergen op Zoom en Tholen om dijken te herstellen. Motorboten van de Belgische genie hielpen bij de evacuatie van Rilland en omgeving. Verder bemanden de Belgen onder Brits commando een drietal schepen van het Rhine Squadron. Vijf Belgische mijnenvegers assisteerden in de haven van Zierikzee.

'Al op zondagmiddag 1 februari schoten op eigen initiatief twee compagnieën (475 man) te hulp in Zeeuws-Vlaanderen'

Fransen

In overleg met de Nederlandse ambassade in Parijs stelde de Franse legerleiding twee Bell-helikopters en een Dakota beschikbaar. Beide heli’s opereerden vanaf Gilze-Rijen en Woensdrecht. Zij werden ingezet bij het transport van personen en medicamenten. Al eerder waren twee Franse geniebataljons (ongeveer 2.000 man) met 144 aanvalsboten en voertuigen uit Duitsland en Frankrijk naar het rampgebied vertrokken. Een bataljon werd ingezet bij de evacuatie van Sint-Philipsland, Tholen, Poortvliet en St. Maartensdijk. Verder assisteerden deze genisten op het eiland Tholen en rond Steenbergen bij het dijkherstel om zo verdere overstromingen te voorkomen. De grootste gaten konden met hun hulp worden gedicht. Verder maakten zij de wegverbinding tussen Steenbergen en Bergen op Zoom weer begaanbaar. Daarna concentreerden de Fransen zich op het ophalen van kadavers uit de ondergelopen boerderijen. Adjudant R. Dangel vertelde: ‘Het waren zware dagen voor de jongens; maar het prettige is dat de bevolking hen zo hartelijk heeft ontvangen. Hulp was anders niet overbodig voor uw land, want het was een ‘catastrophe formidable’.[1]

Het andere bataljon deed reddingswerk op Goeree-Overflakkee en daarna hielpen de Fransen bij het dijkherstel op Zuid-Beveland. Terwijl deze Franse troepen het water keerden, hoopte de bemanning van het bij Scheveningen gestrande Franse schip Cathage juist op hoogwater.

Amerikanen

Op 2 februari vloog generaal S. Manton Eddy, commandant van de Amerikaanse troepen in West-Duitsland, vanuit Wiesbaden naar Den Haag om zich persoonlijk op hoogte te stellen van de gevolgen van de watersnood en om inzicht te krijgen welke hulp de Verenigde Staten zouden kunnen bieden. Ruimhartig waren zijn toezeggingen. Uit Frankfurt kwamen 550 Amerikaanse genisten van het 1279 Genie Bataljon, daarnaast ook leden van het 68ste Air Resque Squadron. Kolonel Ellery W. Niles kwam met 2.500 militairen uit Duitsland in een geforceerde mars van twee dagen naar Nederland. Hij bracht 1500 trucks, 125 vijftons kipwagens, 68 amfibische voertuigen, vaak aangeduid als DUKW’s, 5 draglines, 9 amfibietanks en 25 helikopters mee.

In de Prinses Julianakazerne in Den Haag vestigden de Amerikanen het hoofdkwartier van de American Military Relief Organisation (AMRO). Vandaaruit coördineerden zij hun noodhulp. De amfibievoertuigen werden ingezet op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en het vaste land van Noord-Brabant. De overige militairen leverden verspreid over het hele rampgebied hand- en spandiensten. Zij borgen kadavers, verbeterden de communicatie, vulden en vervoerden zandzakken en hielpen bij dijkreparaties.

Zelfs in minder bedreigde delen verleenden zij assistentie. Zo schakelde het hoogheemraadschap Delfland Amerikaanse genisten in bij het opblazen van vrijgespoelde Duitse bunkers, die een bedreiging vormden voor de duinen tussen Hoek van Holland en Scheveningen.

Duitsers

West-Duitsland had in 1953 nog geen eigen Defensieapparaat, wel waren enkele Duitse eenheden opgenomen in de Amerikaanse legerstructuur. Twee Duitse compagnieën, de zogenoemde Labour Service Engineer Companies (8540th en 8542nd) werden ingezet onder toezicht van de AMRO. Met hun amfibievoertuigen, de DUKW’s, leverden zij een onschatbare bijdrage. Majoor G.A. Worth voerde het bevel, bijgestaan door de Nederlandse LTZ1 J. Suermondt. Maj. Worth was ook het aanspreekpunt voor CMM Zierikzee. Op 9 februari verongelukte hij bijna toen zijn DUCK tijdens een nachtelijke vaartocht bij Nieuwerkerk omsloeg. Mede dankzij de inzet van een vliegtuig van de Marine Luchtvaartdienst, dat flares afwierp, kon hij worden gered. Eén van de Duitse bemanningsleden van de DUKW’s, Peter Ploesser, vertelde over zijn ervaringen in Zierikzee, Zijpe en Oude en Nieuwe Tonge: ‘De eerste vier dagen hebben we maar drie uur geslapen. Maar als je zulke ellende ziet, denk je daar niet aan: dan is iedere hulp te weinig. Dag en nacht waren we in touw, met de hele compagnie. De boten werden slechts afgewisseld voor dringende onderhoudsvoorzieningen, die door de invreting van het zoute water nodig waren. Na deze week zijn er nogal wat zieken onder onze jongens; maar de verzorging door de Nederlandse instantie is goed’. Zijn algemene indruk over de Ramp was: ‘Schlimmer als ein Bombenangriff!’.[2]

5. AKL046180

DUKW’s van het Amerikaanse leger in actie in de Anna-Jacobapolder (foto: collectie NIMH)

6. 2158 083419

Twee Amerikaanse Bell helikopters op de Vissersdijk te Zierikzee. Op de achtergrond de Zuidhavenpoort (foto: collectie NIMH)

7. NL MdbZA 5870 SW 0096

‘Holland Einsatz’, Duitse hulptroepen bezig met herstelwerkzaamheden in de buurt van Nieuwerkerk (foto: Zeeuws Archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland)

11. N0000549 09

Nederlandse en Amerikaanse militairen in DUKW’s verlaten Zierikzee op weg naar het getroffen Nieuwekerk (foto: collectie NIMH)

 

 In het archiefmateriaal van CMM Zierikzee bevindt zich een uitzonderlijk overzicht van prestaties van de Duitse eenheden. Van de andere buitenlandse eenheden ontbreken zulke gespecificeerde overzichten.

Schermafbeelding 2025 03 14 114659

Tabel: Overzicht van de Duitse DUKW’s inzet (3-16 februari 1953)

Pas op 17 februari vertrokken de DUKW’s weer. Overal in de polders werden de Duitsers geroemd om hun hulpvaardigheid, durf en bekwaamheid. Daarnaast was een ‘Technische Hilfsdienst’ uit Duitsland op Schouwen-Duiveland actief. Deze vrijwilligers assisteerden bij de reparatie van telefoonverbindingen, waterleidingen en het elektriciteitsnet. 

Beëindiging van de militaire bijstand

Op last van de Nederlandse Territoriale Bevelhebber werd alle militaire bijstand na 16 februari stopgezet. Het springtij op die datum had niet voor extra problemen gezorgd, waarna de civiele autoriteiten de werkzaamheden konden overnemen. De meeste buitenlandse militairen keerden terug naar hun bases in West-Duitsland. Slechts een aantal waterzuiveringsinstallaties, DUKW’s en zoeklichten bleven nog achter. Onofficieel werd de buitenlandse militairen nog beloofd dat zij nog wat meer van Nederland te zien zouden krijgen dan alleen ondergelopen land. Onduidelijk blijft of deze toezegging ook gehonoreerd is.

[Streamer: ‘Op last van de Nederlandse Territoriale Bevelhebber werd alle militaire bijstand na 16 februari stopgezet’]

Op 17 februari landden er zestien helikopters in de tuinen bij paleis Soestdijk. Koningin Juliana en Prins Bernhard bedankten er de bemanningen voor hun inzet. En juist over deze helikopters, de vliegtuigen die bij de overlevenden zo’n grote indruk hadden nagelaten, was CMM Zierikzee, ktz Van Waning, zeer kritisch.

De helikopters waren het ideale transportmiddel op en naar het rampgebied. Maar de efficiency was ver te zoeken geweest. Als voorbeeld noemde hij de aflevering van drie normale zaklampbatterijen aan ‘Zierikzee’ zonder nadere aanduiding waar deze afgeleverd moesten worden. Je kon volgens hem nooit op dit nuttige vervoermiddel rekenen. Vaak kwamen ze niet of te laat, waardoor urgente afspraken afgezegd moesten worden. De vliegers van met name de Royal Air Force en Royal Navy waren niet aan te sturen. De Amerikanen waren iets soepeler. De aansturing van de heli’s was in zijn ogen te veel gecentraliseerd. Te vaak werden zij ingezet als een strategische luchtmacht in plaats van een reddend ‘taxi’bedrijf.

Daarentegen werd de inzet van de individuele militairen, het Rhine Squadron en de Amerikaanse DUKW’s alom geroemd. De Engelse captain R. Casement schreef een uitvoerig rapport over de inzet van het Rhine Squadron dat hij afsloot met: ‘It is considered that the training value to the Squadron during this operation was equal to at least 6 months normal peacetime training and from this point of view it is felt that not one single minute wasted’.

8jpgOntvangst op Paleis Soestdijk door Koningin Juliana en Prins Bernhard van alle helikopterbemanningen die deelnamen aan de reddingsacties (foto: collectie NIMH)

De kosten rond de inzet van de buitenlandse militairen en hun materieel werden bekostigd door de landen van herkomst. Alleen van de Britse kant is wat informatie beschikbaar over de financiering van hun hulpverlening. Zo vroeg generaal H.H.C. Sugden, op 7 februari 1953 gestationeerd in het transitcamp te Hoek van Holland, aan het Foreign Office wat te doen met de overgebrachte legergoederen en machines ter waarde van ongeveer 60.000 pond. Zijn voorstel om dit als een gift te zien aan het Dutch Flood Relief werd overgenomen. Wel moest ongebruikt materiaal terug. Anders liep het met de betaling van 50.000 zandzakken die vanuit West-Duitsland door de Royal Air Force naar het rampgebied waren gevlogen. Tot ver in 1955 ruzieden het Air Ministry en de West-Duitse federale regering over wie deze zandzakken moest betalen. Uiteindelijk betaalden de Duitsers 3.150 pond en eindigde hiermee ‘the German Sandbag question’.

Geraadpleegde bronnen

Nederlands Instituut voor Militaire Historie te Den Haag

  • Collectie Watersnood 1953 (Operatie WANO)
  • Collectie Van Waning
  • Watersnood 1953 Schouwen-Duiveland

Nationaal Archief te Den Haag

  • Archief van de Commandant der Zeemacht in Nederland. Collectie Bescheiden over de Watersnoodramp 1953 (1953-1955).

National Archives te Londen

  • Admiralty, Navy, Royal Marines and Coastguard, ADM 1/25104
  • Air Ministry and Royal Air Force, AIR 2/11954, AIR 2/11955
  • Foreign Office, FO 371.107620, FO 371.107621, FO 371.112968

Literatuur

  • Marc van Alphen, Willem Geneste en Prudent Staal, ‘Terg mij niet’. De geschiedenis van marinevliegkamp Valkenburg (Franeker 2007).
  • Erwin van Loo, Rob Sinterniklaas, Anne Tjepkema en Rolf de Winter, 100 jaar luchtvaart tussen Gilze en Rijen (Franeker 2010).
  • Kees Slager, De ramp. Een reconstructie van de watersnood van 1953 (Goes 1992/Amsterdam 2003).
  • Rapport van de Fungerend Commandant Maritieme Middelen te Zierikzee kapitein-ter-zee b.d. C.J.W. van Waning (Den Haag 1953).
  • Kees Slager, Watersnood (Kats/Rotterdam 2010).
  • Rick Valkenburg, Toen ‘t schuimend zeenat hevig bruiste …, deel II (Houten/Utrecht 1983)
  • Adri P. van Vliet en Willem J.J. Geneste, Operatie Noach. De hulpverlening door de Koninklijke Marine en de Watersnoodramp van 1953 (Den Haag 2003).
  • Peter Yska, ‘De inzet van de verbindingsdienst tijdens de watersnood in 1953’, in: Intercom 2003 nr. 1, 41-47.

 

Dr. Adri P. van Vliet is maritiem historicus. Hij was tot medio 2022 plaatsvervangend directeur van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

Download dit artikel

Noten

[1] R. Valkenburg, Toen ‘t schuimend zeenat hevig bruiste …, deel II (Houten/Utrecht 1983) 140-141.

[2] Valkenburg, Toen ‘t schuimend zeenat hevig bruiste …, deel II, 141-142.

 

Gerelateerd

 

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave