Problematische perspectieven in een tropische tragedie
Een besluiteloze premier en een laffe diplomaat: dat lijkt me niet een beeld dat de krijgsmacht moet oproepen. Maar toen ik na het scrollen door het Netflix-aanbod
Invasie had bekeken, was dat wel de indruk bij mij was overgebleven. Bas Naafs heeft de film al uitstekend gerecenseerd in het Marineblad van afgelopen mei. Invasie was in april dit jaar in première gegaan als avonturenfilm die tegelijk bedoeld is voor het werven van jongeren voor de Koninklijke Marine. Dat laatste is een goed doel, natuurlijk, want de krijgsmacht heeft jonge mensen hard nodig.
Daarom is de film ook spannend gemaakt en is er een glansrol weggelegd voor mariniers en Zeedienst. Heel in het kort: buurland Veragua valt de eilanden Aruba en Curaçao aan. Dat leidt tot gevechten en ontsnappingsacties waarin Mariniers en vloot betrokken zijn. Zr.Ms. Dolfijn duikt op het einde zelfs op als een echte Deus ex Machina. Categorie aartsengel Rafael in de Gijsbrecht van Amstel (‘Al leit de stad verwoest, en wil daer van niet yzen. Zy zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen’). Ga vooral kijken.
Mij gaat het niet om de kwaliteit van de film en ik ga genoemde recensie niet overdoen, maar betrekkingen tussen krijgsmacht en politiek houden mij nu eenmaal bezig. Dus kijk ik naar het beeld dat de film geeft van de relevante civiele instanties die in het verhaal van Invasie betrokken zijn. Dat zijn er twee: de minister-president en de Nederlandse ambassadeur in Veragua. De eerste komt over als besluiteloos; hij is alleen maar opgelucht als het probleem zichzelf oplost doordat er een staatsgreep en Veragua plaatsvindt en alles min of meer op zijn pootjes terechtkomt. De tweede is een laffe egoïst die zijn post verlaat, zijn assistente afblaft en dood achterlaat en zijn redders ondankbaar bejegent.
'Militairen mogen in die film best de helden zijn, maar waarom zou je dat in het voetlicht brengen door politiek en diplomatie als besluiteloos en laf af te doen?'
Alle begrip voor de makers van een film die spannend moet zijn en de Koninklijke Marine laat ‘shinen’ in een conflict dat inderdaad wel wat werkelijkheidszin laat zien. Maar: wat is het beeld dat hiermee aan jonge potentiële militairen wordt voorgeschoteld? En is het verstandig om zo’n beeld op te roepen? Het beeld van politieke besluiteloosheid? Toekomstige militairen zullen hoe dan ook te maken krijgen met het primaat van de politiek, zoals vastgelegd in artikel 97 lid 2 van de Grondwet (‘De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht’). Dat kan betekenen dat de politiek – de regering, de minister van Buitenlandse Zaken – zich terughoudend opstelt. Maar het is ook mogelijk dat de politiek juist wèl militair optreden vraagt, wanneer de krijgsmacht juist terughoudend wil zijn. Wat die beslissing ook zal zijn, het helpt niet wanneer nieuwe militairen bijgebracht krijgen dat de politiek in crisissituaties geen besluiten kan nemen en niet functioneert.
En dan het beeld van de diplomatieke dienst. Op tal van manieren werkt de krijgsmacht samen met Buitenlandse Zaken. Omdat de hoofdlijnen van het veiligheidsbeleid getrokken worden op dat departement en Defensie een uitvoerder is. Omdat er in crisisgebieden steeds meer wordt samengewerkt tussen vertegenwoordigers van beide ministeries. En omdat ook militairen als attaché deel uitmaken van de diplomatieke dienst. Dan kan je maar beter begrip hebben voor elkaars verschillende expertises.
Militairen mogen in die film best de helden zijn, maar waarom zou je dat in het voetlicht brengen door politiek en diplomatie als besluiteloos en laf af te doen? Zo krijg je alleen maar problematische perspectieven in een tropische tragedie.
Prof. dr. Theo Brinkel is KVMO hoogleraar Militair-maatschappelijke studies aan de Universiteit Leiden.


