Driemaal is scheepsrecht
Argumenten voor het kiezen van SSNs voor Nederland
Door F.L.A. Mertens MA
Abstract
Het onderzeebootvervangingstraject voor de Walrusklasse biedt Nederland een unieke kans om te onderzoeken of de marine kan overstappen op nucleair aangedreven aanvalsonderzeeboten (SSN). Hoewel conventionele onderzeeboten (SSK) hun voordelen hebben, is de tactische, operationele en strategische superioriteit van een SSN onbetwistbaar, met name door het onbeperkte uithoudingsvermogen. Dit opinieartikel bepleit dat de Suffrenklasse (Naval Group) niet alleen strategische winst oplevert voor de NAVO en Nederland in de Noord-Atlantische Oceaan, maar mogelijk ook een interessante investering is inzake haalbaarheid, kennisvergaring en aanschafkosten.
Staatsecretaris van Defensie Gijs Tuinman ondertekent het contract voor de nieuwe Orkaklasse onderzeeboten, september 2024 (foto: P. Tolenaar | MCD)
Inleiding
Het is een gedurfd en ietwat woest idee, maar Nederland heeft voor een paar maanden de kortstondige kans om te onderzoeken of een oude wens van de marine in vervulling kan gaan en een groep nucleair aangedreven aanvalsonderzeeboten (SSN) kan verwerven. Daarbij is wel een absolute conditie dat dit geen vertraging van het onderzeebootsvervangingstraject met zich meebrengt. De Walrus-klasse kan door het ongelooflijke werk van de marine gelukkig nog enige tijd mee, maar begint zijn leeftijd te tonen en zou eigenlijk al vervangen moeten zijn. Hierdoor voorziet de Koninklijke Marine op middellange termijn een capability gap, juist terwijl de Onderzeedienst gemotiveerde en buitengewoon capabele mensen in dienst heeft, die mee kunnen spelen in de Eredivisie. Dus bij alle overwegingen moet snelheid een sleutelrol spelen.
Om met de deur in huis te vallen, waarom SSN? Nederland is altijd met recht trots geweest op zijn conventioneel aangedreven aanvalsonderzeeboten (SSK). Tijdens de Koude Oorlog was de hoofdtaak van deze boten het jagen op Russische onderzeeboten en oppervlakteschepen en vormden ze het voornaamste offensieve wapen van de marine. En als bonus konden ze door hun maat net wat makkelijker dan Amerikaanse en Britse SSNs in ondiepe wateren verkenningstaken uitvoeren, terwijl ze wel weer groot genoeg waren om expeditionair ingezet te worden. Dit heeft ons in de gelukkig altijd koud gebleven Koude Oorlog en in de vredesjaren erna geen windeieren gelegd.
Uithoudingsvermogen
Toch zijn SSNs over het geheel genomen superieur aan SSKs. Het enige tactische voordeel dat conventionele boten hebben is dat ze - ceteris paribus - langzaam op batterijen varend stiller zijn dan nucleaire boten. Dat kan een beslissend voordeel opleveren, omdat een SSK op de juiste plaats in een hinderlaag hierdoor een goede kans heeft om een SSN met het eerste schot te verrassen. Maar om zo stil te zijn moet een conventionele boot wel volledig op zijn batterijen (en/of Air Independent Propulsion) vertrouwen en daar zit nu juist de grootste uitdaging: je kan heel lang rondsluipen op een batterij, maar zodra je snel gaat varen zuigt de hoofdelektromotor die binnen de kortste tijd helemaal leeg.
Dit betekent dat de commandant van een conventionele boot altijd met één oog naar de tactische situatie en één oog naar zijn batterijcapaciteit moet kijken. Want de fysica is onverbiddelijk. Voor meer snelheid is exponentieel meer energie nodig is. Stel bijvoorbeeld dat een boot honderdtwintig uur hij op drie knopen kan varen, dan is die batterijcapaciteit er in minder dan twee uur doorheen bij een sprint van twintig knopen. Een commandant van een SSK moet dan ook dubbel zo goed nadenken hoe hij een vijandelijk oppervlakteverband of onderwatercontact gaat benaderen, omdat hij vaak maar één goede kans zal hebben om een aanval uit te voeren. Daarna is de batterij leeg. Net zoals hij zich heel goed moet afvragen of hij achter een ver sonarcontact in zijn operatiegebied aan zal gaan. Want daarvoor is snuiveren – met al het geluid van meerdere dieselmotoren en de zichtbaarheid vlak bij het oppervlak – zo goed als altijd onvermijdelijk.
'Een SSK moet voorzichtig zijn opmars plannen, omdat dit, zodra het om enige afstand gaat, onverbiddelijk om snuiveren vraagt.' (foto: Koninklijke Marine)
Een commandant van een nucleaire boot heeft al deze problemen niet. Hij kan zich puur op het tactische beeld concentreren, want hij heeft letterlijk eindeloos veel energie tot zijn beschikking. Een sprintje trekken om een goed sonarbeeld te krijgen of om een betere positie te kiezen voor een aanval? Het enige wat daarbij telt is hoeveel geluid je maakt, niet of je nu een paar uur meer met twintig knopen moet varen. Een torpedo op je staart nadat je een aanval hebt uitgevoerd? Dan kan je zelfs na uren sprintjes en manoeuvreren met dertig knopen, of meer, proberen hieraan te ontsnappen. Een ver sonarcontact aan de andere kant van je operatiegebied? Opnieuw is alleen je geluid een beletsel. En als kers op de taart, samenwerken met oppervlakte-eenheden? Elke Carrier Battle Group (CVBG) krijgt in regel één of meer SSNs toegewezen, die dat door hun snelheid wel kunnen doen.
'Elke Carrier Battle Group (CVBG) krijgt in regel één of meer SSNs toegewezen’
Die tactische voordelen van een SSN worden operationeel en strategisch nog verder uitvergroot. Een SSK moet voorzichtig zijn opmars plannen, omdat dit, zodra het om enige afstand gaat, onverbiddelijk om snuiveren vraagt. En als je dan, zeg, in plaats van vier knopen met een gemiddelde van negen knopen wil oprukken, neemt dat snuiveren exponentieel toe. Ondertussen kan een moderne SSN gewoon duiken en met twintig knopen naar zijn bestemming doorstoten. Of meer dan dertig als het je niet uitmaakt hoeveel geluid je produceert en je om strategische redenen opeens zo snel mogelijk aan de andere kant van de wereld moet zijn.
Enige strategische overwegingen
Het grootste voordeel van een SSK is zijn prijs. Conventionele boten zijn simpelweg minder duur dan nucleaire boten in zowel aanschaf als operaties. Dat is ook de reden dat de Nederlandse marine twee keer zijn nucleaire droom aan zich voorbij heeft moeten laten gaan: een gezond eskader van zes conventionele onderzeeboten was nog te betalen, maar zes nucleaire boten hadden een te grote hap genomen uit het marinebudget en te weinig ruimte gelaten voor de grote oppervlaktevloot, die we tijdens de Koude Oorlog in stand moesten houden en bemannen.
Daarmee komt de vraag terecht op het strategische niveau, waar die ook thuishoort. Nederland zal de komende decennia binnen een Europees- en NAVO-kader aanzienlijk meer geld moeten uitgeven aan defensie dan het de laatste dertig jaar gedaan heeft. De politieke consensus hierover lijkt gezien de internationale ontwikkelingen verzekerd. Hoe Nederland dit geld moet uitgeven is de volgende vraag. Als middelgrote mogendheid kunnen we niet alles doen en worden onze keuzes gevormd door een aantal strategische gegevens. Onze geografische positie ligt vast: we zitten in het achterland betrekkelijk ver van het potentiële front in het Oosten en grenzen aan de Noordzee en Atlantische Oceaan. Daarnaast hebben we bij afwezigheid van de opkomstplicht verhoudingsgewijs veel geld beschikbaar ten opzichte van de beschikbare menskracht. Hierdoor is het logisch om in kapitaalintensieve en menskracht extensieve capaciteiten te investeren. En uiteindelijk loont het om een zwaartepunt van onze krijgsmachtsopbouw te leggen op een gebied waar de NAVO grote lacunes vertoont, zodat wij hiermee de alliantie als een geheel kunnen versterken en de Nederlandse invloed binnen de alliantie kunnen uitvergroten.
Samenwerking met Franse, Britse of Amerikaanse CVBG? Die staan allemaal te springen om SSN-ondersteuning. Foto: Het Franse SSN Suffren als onderdeel van de Charles de Gaulle carrier strike group, 2021 (French Navy picture)
Om trouwens de onvermijdelijke kritiek voor te zijn die bij het woord ‘zwaartepunt’ kan ontstaan, wil ik direct duidelijk maken dat ik ervan overtuigd ben dat Nederland om militaire en politieke redenen ook zijn verantwoordelijkheid aan de Oostflank moet nemen. We kunnen niet zonder sterke en goed uitgeruste brigades en geavanceerde luchtstrijdkrachten met grote voorraden munitie. Maar zo lang we de dienstplicht geen nieuw leven inblazen, is een formatie die echt gewicht in de schaal kan leggen, zoals een Legerkorps, ondenkbaar en zullen wij in het Oosten slechts een gewaardeerde maar betrekkelijk kleine bondgenoot blijven.
In de Atlantische Oceaan en aan de Noordflank van het NAVO-verdragsgebied kunnen we echter een grote rol spelen. De Amerikaanse marine zal zijn focus onverbiddelijk naar de Indo-Pacific weerleggen. De Britten hebben wel eens betere maritieme tijden gekend. De Franse marine zit à cheval tussen de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. En beide marines moeten met hun SSNs hun Carrier Groups en strategische nucleaire onderzeeboten beschermen. De Duitsers leggen hun Schwerpunkt op de Oostflank. De Noren hebben hun handen vol met hun eigen wateren. Meer NAVO SSNs zullen dus extreem welkom zijn, want op een paar Britse en Amerikaanse nucleaire boten na wordt de spoeling in dit strategisch zeer relevante gebied langzamerhand angstaanjagend dun. Als Norfolk naast die Amerikaanse en Britse kapitale schepen ook nog eens een paar Nederlandse nucleaire aanvalsboten tot zijn beschikking heeft, dan worden wij opeens lid van een heel klein, heel exclusief en heel interessant clubje binnen de NAVO. Onderzeebootbestrijding? Daar zijn SSNs als ultieme jagers letterlijk voor gemaakt! Russische oppervlakteverbanden? Prooi! Samenwerking met Franse, Britse of Amerikaanse CVBG? Die staan allemaal te springen om SSN-ondersteuning.
En als we verder dan ons Noord-Atlantische en Arctische NAVO operatiegebied kijken, wordt de waarde van Nederlandse SSNs nog groter. Die dikke 8000 kilometer naar de Caraïben heb je heel wat sneller met een opmarssnelheid van dertig knopen dan met negen knopen afgelegd. En als je nu echt richting de Zuid-Chinese Zee wil gaan en daar ook nog eens een tijd wil blijven om invloed uit te kunnen oefenen, dan wordt de superioriteit van een SSN helemaal merkbaar.
Haalbaarheid
De grote vraag is dus niet of nucleaire aanvalsonderzeeboten een betere strategische optie zijn, maar of ze nu voor Nederland een haalbare optie zijn? Het eerste deel van dit antwoord is vanzelfsprekend financieel. Hierover moeten we eerlijk zijn, SSNs zijn veel duurder dan SSKs in aanschaf en onderhoud. De vraag is echter hoeveel duurder. Want de Orkaklasse boten worden zoals nu begroot uitmuntende, maar dus ook heel dure SSKs. Met 5,6 miljard euro voor vier boten ligt het programma niet eens zo heel ver van de 11,67 miljard euro voor de zes boten van de Franse nucleaire Suffrenklasse. Het gaat nog altijd om ontstellend veel geld, maar als een verder vergelijkbare conventionele en nucleaire boot zo’n 30% van elkaar in prijs schelen dan wordt dat verschil best klein in verhouding met het verschil in hun capaciteiten.
'Naval Group is de enige EU-producent die in staat is om nucleaire boten te bouwen – wat ook direct de angel uit het hele aanbestedingsproject haalt’
Dan komt de grote vraag of die SSNs ook gebouwd kunnen worden. Op dat gebied hebben we een gelukje: met de nucleaire Suffrenklasse operationeel en in productie is Naval Group de enige EU-producent die in staat is om nucleaire boten te bouwen – wat ook direct de angel uit het hele aanbestedingsproject haalt. Zijn de Fransen in staat en flexibel genoeg om naast de aanvalsonderzeeboten en hun komende strategische nucleaire onderzeeboten ook ruimte voor Nederlandse nucleaire boten te maken? Want dit zijn geen projecten die je zo maar even op kan schalen. De strategische voordelen voor Frankrijk zijn echter niet uit te vlakken. De schaalvergroting en de gedeelde instandhouding alleen al maken het voor Parijs interessant om meer nucleaire boten te bouwen. Voeg daar de hogere prijs die ze kunnen vragen, Europese strategische autonomie en verdieping van de maritieme operationele samenwerking tussen Frankrijk en Nederland aan toe en dan kan je verwachten dat de rode loper wordt uitgerold. Vergeet ook niet dat de Canadezen tegen de Franse verwachtingen in Naval Group hebben uitgesloten van de keuze voor hun onderzeebootvervanging. Dat maakt de Orka een echte one-off en dat is een situatie die we kennen van de Walrusklasse. En als ik echt ondeugend ben, dan is de sneer die ze hiermee richting AUKUS kunnen maken ook nog eens een mogelijk argument dat Parijs over de streep kan trekken.
Als die hobbel genomen kan worden, gaat het er vervolgens om of de Nederlandse marine in korte tijd voldoende nucleaire kennis kan opbouwen om dit plan mogelijk te maken. Opnieuw een niet te onderschatten uitdaging, maar wel een die we in het verleden bij eerdere plannen zijn aangegaan en waar we verder mee zijn gekomen dan vaak wordt beseft. En een uitdaging die we met enige pech – of is het geluk – in de toekomst ook voor onze oppervlaktevloot zullen moeten omarmen. Want met de gelijktijdige ontwikkeling van Small Modular Reactors en de enorm toegenomen vraag naar elektriciteit voor radar en Directed Energy Weapons op oppervlakteschepen, kunnen we voor onze toekomstige luchtverdedigers mogelijk ook niet meer om nucleaire voorstuwing heen. In plaats van de vreemde eend in de bijt waarvoor speciale kennis vereist is, zou dit onze onderzeeboten de voorlopers van een deels nucleair aangedreven marine maken. En als klap op de vuurpijl wil Allseas de Pioneering Spirit van nucleaire energie voorzien. Dan kan de marine toch moeilijk bij de koopvaardij achterblijven!
De nucleaire aanvalsonderzeeboot Suffren in aanbouw op de werf van Naval Group in Cherbourg, juli 2019 (foto: Naval Group)
Wat uiteindelijk nog resteert is de snelheid waarmee we Nederlandse nucleaire aanvalsboten bemand en wel in het water kunnen krijgen. Zoals aan het begin van dit stuk is aangegeven, is dit misschien wel de belangrijkste vraag. Daarnaast is het feit dat de zes schepen van de Suffrenklasse operationeel en in productie zijn eigenlijk de voornaamste reden dat auteur dezes is gaan afvragen of dit een haalbare kaart is. Want wat mij vooral zorgen baart, is dat de Orkaklasse in essentie een volledig nieuwe boot is. Vergis u niet: het gaat niet simpelweg om het vervangen van de nucleaire voortstuwing door een paar diesels – het is een volledig nieuw ontwerp. Vertragingen en kinderziektes zijn daarbij – zoals bij alle geavanceerde en complexe technologische systemen – zo goed als onvermijdelijk. Bij een gezonde vlootopbouw zou dit nog behapbaar kunnen zijn. Wie herinnert zich bijvoorbeeld nog de kinderziektes van de Amerikaanse Los Angelesklasse SSN? Maar na alle vertraging die we in Nederland hebben opgelopen, is dit voor de Onderzeedienst geen optie meer. De marine heeft zo snel mogelijk nieuwe onderzeeboten nodig.
Hier moet Frankrijk over de brug komen. Als Nederland zou besluiten om het Orka-contract te herzien en in plaats van vier conventionele varianten van de Suffrenklasse drie of vier nucleaire Suffren-/Orkaklasse boten te kopen, dan zou Frankrijk één of meerdere boten uit het huidige bouwprogramma aan Nederland kunnen toewijzen zodat de kennisoverdracht en de training zo snel mogelijk kunnen beginnen. Zeg de vijfde of zesde boot, om dan later de zevende of achtste van een nu ineens tien schepen sterke Suffrenklasse te nemen. Exact hetzelfde wat de Noren en de Britten met de Type 26 fregatten van plan zijn. Van de weeromstuit zou dat zelfs kunnen betekenen dat we eerder een nieuwe Nederlandse nucleaire dan een nieuwe Nederlandse conventionele boot operationeel kunnen hebben!
‘Is dit een gewaagd idee dat van veel mitsen en maren afhangt? Absoluut.’
Ten slotte
Tot slot nog een beschouwing over de positie van de Nederlandse industrie verenigd in het marinebouwcluster. Men zou kunnen denken dat bij de keus voor bestaande nucleaire boten de industriële participatie voor Nederland (ongeveer een miljard euro) zou verdampen. Immers, de supply chain voor de Suffren is al vastgesteld en elke wijziging maakt de boten duurder en leidt tot veranderingen in het ontwerp. Toch zijn er kansen. De Nederlandse industrie is veerkrachtig en heeft baat bij een stevige kennisbasis op het gebied van fregatten – die leveren voor tenminste veertig jaar werk op. Vergeleken daarbij is de rol bij de bouw van de Orka’s bescheiden. En bij de instandhouding van de Suffrenklasse is ook veel werk te verrichten waarbij Nederland kennis kan opdoen en de industrie een rol kan claimen.
Is dit een gewaagd idee dat van veel mitsen en maren afhangt? Absoluut. Zou het kunnen? Ik denk niet dat het onmogelijk is. Wat levert het Nederland en de marine op? De eerste Nederlandse kapitale schepen sinds het ramtorenschip Zr.Ms. ‘Koning der Nederlanden’! Hiermee de positie van de NAVO in de Noordelijke Atlantische Oceaan en de Poolzee aanzienlijk versterken, onovertroffen expeditionaire capaciteit verwerven en lid worden van een heel exclusief clubje? Lijkt me de moeite waard. Maar dan moeten we nu wel snel serieus gaan onderzoeken of dit ook echt een optie is.

