Defensieve koopvaardij
Een vergeten concept?
Toenemende gevaren voor de civiele scheepvaart in de Rode Zee, de Zwarte Zee en de Zuid-Chinese Zee kunnen een aanleiding zijn voor de herintroductie van een beproefd concept: het defensief uitrusten van koopvaardijschepen. Maatschappelijke weerbaarheid vereist inzet van burgers en het bedrijfsleven. In het maritieme domein komt daarbij de koopvaardij in beeld, die in de Tweede Wereldoorlog (WOII) als ‘vierde macht’ naast de zee-, land- en luchtstrijdkrachten streed. Dit artikel beschrijft de historische context van defensieve koopvaardijbewapening in WOII en de innovatieve ideeën hierover tijdens de Koude Oorlog. Deze bijdrage vormt het eerste deel van een tweeluik; in het volgende Marineblad volgt een artikel over offensieve koopvaardijbewapening.[i]
Lessen uit WOII relevant in de Koude Oorlog
WOII toonde het militaire en morele nut van defensieve koopvaardijbewapening. Waar in de Eerste Wereldoorlog neutrale landen als Nederland juridische bezwaren hadden tegen dit concept, was sinds WOII het defensief bewapenen van koopvaardijschepen in oorlogstijd de algemene praktijk, al bleef het internationaalrechtelijk omstreden. Het militaire nut van de koopvaardijbewapening was niet zo zeer het vernietigen van vijandelijke eenheden, maar voorkomen dat deze ongestoord een optimale aanvalspositie konden innemen of überhaupt een offensieve actie ondernamen. Daartoe beschikten vele geallieerde koopvaarders in WOII over middelbaar kaliber geschut, tegen zowel duikboten als oppervlakteschepen en lichtkaliber snelvuurgeschut tegen vliegtuigen; soms bediend door militairen, maar vaak ook door hiervoor opgeleid koopvaardijpersoneel. Op laatstgenoemde groep had de bewapening dan ook een groot moreel effect. In de eerste oorlogsjaren weigerde bijvoorbeeld menig zeevarende ondanks een officiële vaarplicht te dienen op slecht- of onbewapende schepen. Mede dankzij adequate bewapening - grotendeels in bruikleen van de Britten en Amerikanen - bleven Nederlandse handelsvaartuigen bemand en beschermd, waardoor de vaderlandse koopvaardijvloot de grootste Nederlandse bijdrage aan de geallieerde overwinning kon leveren.[ii]
Na 1945 wenste de Nederlandse overheid dat de koopvaardijvloot bij een volgend conflict kon teruggrijpen op afdoende defensieve beschermingsmiddelen, zoals geschut tegen vlieg- en vaartuigen en degaussinginstallaties tegen magnetische mijnen. NAVO-doctrines schreven deze middelen ook voor, al bleef het een nationale verantwoordelijkheid. Goeddeels dankzij Amerikaanse donaties verkreeg Nederland in de jaren vijftig de volgende geschutvoorraad voor de koopvaardij: 228 kanons van middelbaar kaliber (76mm-105mm), 272 lichtkaliber-kanons (37mm-40mm) en 893 20mm-mitrailleurs.[iii] Dit alles behelsde circa 40% van de gewenste bewapening voor de omvangrijke koopvaardijvloot (1891 handelsvaartuigen in 1960). Op Fort Erfprins volgden in de periode 1951-1962 enkele duizenden dienstplichtige zeevarenden de opleiding koopvaardijbeveiliging. In deze drie maanden durende opleiding leerden zij onder andere voornoemd geschut te hanteren.[iv] De kosten voor de koopvaardijopleiding, het aanvullen van de geschutvoorraad, maar ook het aanbrengen van geschutfundaties en degaussinginstallaties op koopvaardijschepen bleek een jarenlang twistpunt tussen het Ministerie van Marine/Defensie, het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en reders. Rekeningen van geschutfundaties werden soms letterlijk doorgeschoven tussen scheepswerven, reders en beide ministeries.[v] Kortom, het was een bestuurlijk hoofdpijndossier.
Alle betrokkenen waren dan ook opgelucht toen de Admiraliteitsraad eind 1971 besloot al het defensieve geschut af te stoten.[vi] Hoewel bezuiniging het voornaamste motief was, gold als argument dat de bewapening achterhaald was. De uit WOII daterende handbediende koopvaardijwapens pasten niet meer in een oorlog met missiles, straalvliegtuigen en moderne onderzeeboten. Militair-technisch klopte dat, maar Nederland en de NAVO-bondgenoten ontwikkelden nauwelijks alternatieve, moderne zelfbeschermingsmiddelen voor koopvaardijschepen. Ideeën waren er volop, maar zij kwamen vaak niet verder dan een studiefase. De (potentiële) zelfbeschermingsmiddelen voor koopvaardijschepen kenden een grote variëteit. Ten eerste waren zij te onderscheiden naar het soort dreiging die zij het hoofd moesten bieden, zoals een bovenwater- en een onderwaterdreiging. Ten tweede bestond het onderscheid tussen actieve bescherming (zoals geschut) en passieve bescherming (zoals degaussing). Hieronder volgt een impressie van, vaak haperende, innovatie in zelfbeschermingsmiddelen gedurende de Koude Oorlog.
Luchtverdediging: van luchtdoelraket tot radarreflector
Op het gebied van luchtverdediging door handelsschepen zagen talrijke ideeën voor actieve en passieve bescherming het licht. Ondanks voornoemde bezwaren over de koopvaardijbewapening, waren in algemene zin artilleriesystemen voor luchtverdediging omstreeks 1971 allerminst achterhaald. Luchtdoelgeschut had na 1945 namelijk een bijna even grote evolutie ondergaan als de luchtdreiging, waaronder straalvliegtuigen en antischipraketten. Vooral de ontwikkeling inzake vuurleiding en automatische laadsystemen maakten dat kanonsystemen met grotere vuurkracht, snellere reactietijden en meer precisie, die bovendien minder bedienend personeel vereisten en goedkoper waren dan antiluchtdoelraketsystemen op de markt verschenen. Niet voor niets heeft de KM tot op heden voor haar eigen oorlogsbodems nooit afscheid genomen van artilleriesystemen tegen luchtdoelen, denk aan het 76mm Oto Melara kanon en de 30mm Goalkeeper. Voor (militaire) bevoorradingsschepen en amfibische transportschepen is een close-in weapon system vaak de enige noemenswaardige bewapening. Afgezien van Britse semi-civiele[vii] Royal Fleet Auxilary schepen en Amerikaanse transportschepen van het Military Sealift Command, zijn normale koopvaardijschepen nooit met deze zelfverdedigingssystemen uitgerust, hoewel zij in feite de moderne opvolger waren van het handbediende 20mm en 40mm luchtdoelgeschut uit WOII.
‘Menigmaal is overwogen koopvaardijschepen uit te rusten met surface-to-air missiles’
Het voornaamste wapen tegen luchtdoelen is tegenwoordig de surface-to-air missile en menigmaal is overwogen koopvaardijschepen daarmee uit te rusten. Het eerste voorstel daartoe binnen de NAVO dateert uit 1958.[viii] Canada rapporteerde in 1969 aan de NAVO dat raketten voor handelsvaartuigen niet rendabel waren, omdat dit ook investeringen vereiste in geavanceerde vuurleidingsystemen.[ix] De Marinestaf kwam in 1971 tot een vergelijkbare conclusie. Containerisatie bood echter nieuwe mogelijkheden: zowel wapens als sensoren konden eenvoudig modulair, per container, aan boord worden geplaatst. Een studie uit 1979 van de Amerikaanse denktank Atlantic Council drong dan ook aan op het uitrusten van koopvaardijschepen met modulaire defensieve systemen. De auteurs meenden - terecht - dat de NAVO eenvoudigweg te weinig escorteschepen had voor de bescherming van transportschepen met militaire lading, laat staan voor alle handelsvaart. De kosten van extra escorteschepen waren volgens hen veel hoger dan de aanschaf van modulaire systemen.[x] Het Hoofd Koopvaardijzaken KLTZ A.J. Vergroesen had destijds een andere opvatting: ‘Het plaatsen van geleidewapens aan boord vereist tevens een radar vuurleidingssysteem, afgeoefend personeel en een goed identificatiesysteem, hetgeen uiterst kostbaar is en in zijn algemeenheid moeilijk te realiseren. […] Aangezien de zelfbescherming van koopvaardijschepen nagenoeg nihil is, moet voorkomen worden dat deze schepen binnen vuurbereik van de vijand komen.’[xi]

Zeevarenden tijdens de Koopvaardijopleiding te Erfprins, 1951 (foto: Nationaal Archief | Anefo 2.24.01.09)

Schietoefening door koopvaardijpersoneel op Erfprins, 1957 (foto: collectie NIMH)
Een Oerlikon-mitrailleur aan boord van de tanker Dordrecht in WOII (foto: collectie NIOD | 54144)
Dat laatste leek een onwezenlijke opgave, aangezien de Sovjet-Unie toentertijd beschikte over antischipraketten met een bereik van meer dan 150 zeemijl. Hoe dan ook, volgens Vergroesen was bescherming met marineschepen noodzakelijk, geen dure en onbeproefde zelfverdedigingssystemen. Overigens had hij gelijk dat het essentieel was over goed opgeleid personeel en betrouwbare identificatiemiddelen en -procedures te beschikken bij de inzet van geleidewapens. Anders dan bij het conventionele koopvaardijgeschut, dat binnen visuele herkenningsafstand reikte, bestreken antiluchtdoelraketten afstanden voorbij de horizon, met bovendien snelle reactietijden. De kans op het abusievelijk neerhalen van bevriende vliegtuigen was daardoor groter, waarmee het middel potentieel erger leek dan de kwaal. Gezien voornoemde bezwaren was het verrassend dat in 1981 De Telegraaf kopte: ‘Revolutionaire Nederlands/Britse vinding: Koopvaardij krijgt raketten aan boord.’[xii] Een ander dagblad berichtte over een plan ‘om de snelle containervrachtschepen bij het uitbreken van een oorlog dadelijk zó te kunnen bewapenen, dat er geen konvooien met beschermende oorlogsschepen meer nodig zijn.’[xiii] Beide artikelen berichtten over de ontwikkeling van een modulair luchtverdedigingssysteem, bestaande uit twee containers met Britse Seawolf-raketten en vuurleidingradars van Hollandse Signaal Apparaten (huidig Thales Nederland). Tijdens de Falklandoorlog (1982) toonden de Britten grote interesse in het project, maar tot operationele toepassing op civiele schepen is het nooit gekomen.[xiv] Medio jaren tachtig experimenteerden overigens ook de Amerikanen met bewapening voor koopvaardijschepen, waaronder luchtdoelraketten en handbediende snelvuurkanons, maar ook deze poging tot innovatie leidde niet tot operationele toepassingen.[xv]
Een goedkoper alternatief voor de bescherming tegen antischipraketten zijn daarbij passieve systemen, zoals radarreflectoren, chaff-lanceerinstallaties, stoorzenders en elektro-optische detectiesystemen. Ook bij deze middelen werd de aanschaf voor koopvaardijschepen bepleit, maar in de praktijk zelden uitgevoerd. Een uitzondering vormden enkele tankers in de Perzische golf tijdens de Tankeroorlog (1984-1988). Uitgerust met onder andere reflectoren en stoorzenders, wisten zij antischipraketten te misleiden dan wel te voorkomen dat deze vitale delen van het vaartuig raakten.[xvi]
Onderzeebootbestrijding: van torpedobewapening tot vliegdek
Na 1945 waren kanons tegen nagenoeg enkel onderwater opererende onderzeeboten achterhaald; de doelzoekende torpedo werd het voornaamste onderzeebootbestrijdingsmiddel. Een Amerikaans voorstel uit 1964 hield daarom het bewapenen van handelsvaartuigen in met doelzoekende lichtgewicht Mk 46 torpedo’s. Bij een onderzeebootaanval zou het aangevallen vaartuig, of een nabijgelegen koopvaardijschip, een tegenaanval uitvoeren in de globale dreigingsrichting (een zogenaamde urgent attack). Volgens een mathematische analyse uit 1979 zou dit concept koopvaardijverliezen beperken en de attritie onder Sovjet onderzeeboten vergroten.[xvii] Een tweede idee, uit 1980, was het uitrusten van koopvaardijschepen met hydrofoons op de scheepshuid voor het detecteren van torpedo’s. Na detectie kon het schip een (weinig kansrijke) ontwijkmanoeuvre inzetten. Effectiever was het uitschakelen van de torpedo, maar een anti-torpedo-torpedo was (en is) nog in ontwikkeling.
Een concept dat verder gaat dan de zelfbescherming van een enkel koopvaardijschip is het meevoeren van vliegtuigen. Het inzetten van vliegende eenheden tegen onderzeeboten bleek in de wereldoorlogen een succesvolle ASW[xviii]-methode. Daarom zagen in WOII Merchant Aircraft Carriers (MACs) het licht: civiele tankers of graanschepen met een vliegdek voor enkele ASW-vliegtuigen. Zo opereerde in ‘43-‘45 het Nederlandse 860-squadron met Swordfish-vliegtuigen vanaf aangepaste Shell-tankers.[xix] In de Koude Oorlog kwamen helikopters in de rol van onderzeebootbestrijder in beeld. Reeds bij de ontwikkeling van de helikopter in WOII voorzagen de Amerikanen een rol voor dit nieuwe wapen bij nabije konvooibescherming. Koopvaardijschepen konden met minimale aanpassingen helikopters meevoeren. De eerste deklanding van een helikopter op een geallieerd vaartuig, op 7 mei 1943, was dan ook op een civiele tanker.[xx] Toch zouden ASW-helikopters na 1945 decennialang uitsluitend vanaf (escorterende) oorlogsbodems opereren en verdwenen MAC-schepen uit beeld.
De eerste deklandingen van een geallieerde helikopter op een schip, 7 mei 1943 (foto: United States Coast Guard Aviation History)
Pas in de jaren zeventig werd het idee koopvaardijschepen te gebruiken als moederschip voor helikopters en vliegtuigen nieuw leven ingeblazen. Het Amerikaanse Arapaho-project[xxi] behelsde het ombouwen van containerschepen tot nood-vliegkampschip voor konvooibescherming, door deze schepen naast hun gebruikelijke containerlading binnen enkele dagen te voorzien van een vliegdek, hangars, accommodatie en brandstofopslag. Vanaf deze civiele vliegkampschepen konden niet alleen ASW-helikopters opereren, maar ook vliegtuigen die verticaal konden opstijgen en landen, zoals de Sea Harrier (voor luchtverdediging). De Britten pasten het concept gedeeltelijk toe tijdens de Falklandoorlog. In korte tijd bouwden zij de containerschepen Atlantic Conveyor en Atlantic Causeway om voor het accommoderen van helikopters en Sea Harriers. De beoogde taak voor de schepen was niet konvooibescherming, maar een amfibische transportrol. Twee Argentijnse Exocetraketten brachten de Atlantic Conveyor tot zinken. Dit was niet alleen een militair-tactische klap voor de Britten, maar ook een tegenslag op militair-operationeel niveau, aangezien het gros van de lading van belangrijke voorraden en transporthelikopters ook verloren ging. Sommige historici zien het besluit deze koopvaardijschepen niet uit te rusten met zelfbeschermingsmiddelen, zoals chaff of geschut, dan ook als een van de grootste Britse blunders tijdens de Falklandoorlog.[xxii]
Enkele Nederlandse artikelen vermeldden het Arapaho-project, maar er zijn geen aanwijzingen dat ons land serieuze belangstelling toonde voor het idee. De US Navy toonde zelf ook weinig interesse, ondanks de relatief lage kosten. Voor de prijs van één Amerikaanse supercarrier konden circa dertig containerschepen worden aangeschaft en omgebouwd; ogenschijnlijk een efficiënte manier voor het faciliteren van airpower rondom een groot aantal konvooien. De Amerikaanse marine was echter huiverig te investeren in projecten die niet direct de power-projection oorlogsvloot, waaronder de eigen vliegkampschepen en helikoptercarriers, ten goede kwamen. Om vergelijkbare redenen sneuvelde in de jaren zeventig het Amerikaanse Sea Control Ship. Dit was een licht vliegkampschip speciaal bedoeld voor het escorteren van konvooien. Maar de eenzijdige focus op sea control rond de scheepvaartroutes met deze ‘mini-carriers’ sloot voor de US Navy niet goed aan bij de institutionele behoefte aan power-projection met (tien keer zo dure) supercarriers.[xxiii]
‘In de jaren zeventig en tachtig nam binnen de NAVO de interesse in zelfbescherming en konvooiering af’
Verklaringen voor de haperende innovatie
Voorgaande beschouwing illustreert dat er talrijke ideeën bestonden voor de zelfbescherming van koopvaardijschepen tegen meer moderne dreigingen. Al waren er verschillen in de mate van praktische toepasbaarheid. Waardoor kwamen ze niet tot uitvoer? Meerdere oorzaken zijn hiervoor aanwijsbaar. Naast de bezwaren van technologische en personele uitvoerbaarheid, waren er de kosten. Voorstanders van zelfverdedigingssystemen, die zich vooral uitten in vakliteratuur, benadrukten de efficiëntie en kostenbesparing van innovatieve systemen, terwijl tegenstanders, met name in beleidsstukken, juist wezen op de hoge aanschaf- en exploitatiekosten. Beide opvattingen werden zelden cijfermatig goed onderbouwd. Een goede business case was ook niet gemakkelijk uit te voeren. Een vergelijking tussen bijvoorbeeld de kosten van een escorteschip en de kosten van een arsenaal luchtdoelraketten liep al snel mank. Het laatstgenoemde was enkel van nut in oorlogstijd voor de bescherming van een specifiek koopvaardijschip en lag in vredestijd te verstoffen in de opslag. Een escorteschip was daarentegen inzetbaar voor meer taken en kon zich zowel in oorlogs- als vredestijd bewijzen als een nuttig politiek instrument.
Was een vergelijking tussen verschillende wapensystemen al problematisch, een vergelijking tussen verschillende methoden van handelsbescherming was nóg moeilijker. In de jaren zeventig en tachtig nam binnen de NAVO de interesse in zelfbescherming en konvooiering af, mede omdat het bondgenootschap meer heil zag in het offensief aangrijpen van Sovjetbastions en het verdedigen van de Greenland-Iceland-United Kingdom (GIUK-)gap. Bovendien bleek uit inlichtingenanalyses dat de Rode Vloot geen grootscheepse maritieme handelsoorlog voorbereidde.[xxiv] Hoewel scenarioanalyses effecten van verschillende beschermingsmethoden inzichtelijk maakten, zou in oorlogstijd pas blijken wat het beste werkte.[xxv]
Het uitrusten van koopvaardijschepen met moderne zelfbeschermingsmiddelen leek voor de NAVO-lidstaten vanaf de jaren zeventig financieel en personeel een brug te ver. Maar het feit dat westerse marines hun eigen militaire bevoorradingsschepen wèl voorzagen van moderne defensieve middelen zoals chaff-werpers en close-in weapon systems, toont aan dat zij de alternatieve methoden van bescherming, waaronder bescherming door een escorteschip, allerminst waterdicht achtten. Bij crisisinzet in de Golfregio in de periode 1987-1991 voorzagen bovendien Stinger-teams van het Korps Mariniers in extra ad-hoc luchtverdedigingscapaciteit voor het bevoorradingsschip Hr.Ms. Zuiderkruis, enkele mijnenjagers en het ondersteuningsschip BNS Zinnia.[xxvi]
Militaire bevoorradingsschepen hadden weliswaar een andere taakstelling en een grotere bemanning dan commerciële schepen, constructief verschilden zij weinig. Daarnaast zouden sommige civiele olietankers een vergelijkbare rol vervullen als militaire bevoorradingsschepen; namelijk escorteschepen zoals fregatten van brandstof voorzien. De NAVO had berekend dat in oorlogstijd 66 civiele tankers benodigd waren voor deze militaire rol en Nederland had daarvoor vier Nedlloyd-tankers ge-earmarked. De NAVO schafte medio jaren tachtig voor honderd tankers het astern refuelling rig aan, waarmee de tankers op zee brandstof konden overladen. Hoewel deze escorte-tankers dezelfde primaire taak hadden als de militaire bevoorradingsschepen, werden zij niet voorzien van extra beschermingsmiddelen.[xxvii]
Beproevingen met de Sea Harrier aan boord van Atlantic Conveyor, 1982 (foto: www.thinkdefence.co.uk)
Voor sommige landen vormden juridische bezwaren en de mogelijk escalerende werking van bewapening een reden het hele concept van zelfbescherming af te wijzen, waarmee ze verdere innovatie in de kiem smoorden. Binnen de scheepvaartsector vreesden sommigen dat bewapening de internationaalrechtelijk beschermde status van koopvaardijschepen zou aantasten. Het Britse Ministerie van Defensie wees in 1982 actieve en passieve beschermingsmiddelen (waaronder chaff-werpers) voor de Atlantic Conveyor en soortgelijke vaartuigen af, omdat binnen het departement discussie bestond of het defensief uitrusten van koopvaardijschepen wel legaal was. Dit laatste is opmerkelijk, omdat de NAVO-doctrines defensieve uitrusting adviseerden en ook de Britten decennialang geschut voor dit doel in opslag hadden. Bovendien was het blijkbaar geen probleem dat de Atlantic Conveyer in het operatiegebied een gevechtsklare Sea Harrier gereedhield voor de interceptie van Argentijnse vliegtuigen.[xxviii]
'De suggestie dat moderne zelfverdedigingswapens voor koopvaardijschepen (extra) escorteschepen overbodig maakte, was natuurlijk tegen het zere been van menig marine-organisatie’
Een andere verklaring voor de haperende innovatie is de culturele en institutionele weerstand tegen vernieuwingen die de bestaande opvattingen en belangen bedreigen. De suggestie dat moderne zelfverdedigingswapens voor koopvaardijschepen (extra) escorteschepen overbodig maakte, was natuurlijk tegen het zere been van menig marine-organisatie. Bij de KM vormde het escorteschip vanaf eind jaren zeventig de ruggengraat van de vloot en het aantal escorteschepen een maat voor succes. Met andere woorden: hoe meer fregatten, hoe meer de organisatie voldeed aan haar eigen ideaal.[xxix] Voor de Amerikaanse marine vormde het aantal supercarriers een graadmeter van succes en zelfrealisatie. Het idee dat containerschepen met een vliegdek de behoefte aan supercarriers zou temperen wekte weerstand op in de US Navy. Oppositie ontstond niet alleen aan militaire zijde, ook civiele departementen zagen beren op de weg bij het defensief uitrusten van koopvaardijschepen vanwege mogelijke kosten en verantwoordelijkheden. Zo stuitte de Amerikaanse Chief of Naval Operations admiraal E.R. Zumwalt begin jaren zeventig op weerstand bij de plannen voor het bewapenen van containerschepen: ‘Although each of those programs would have initially been costly to implement, they might have proved cost-effective in the end. Admiral Zumwalt maintains that each of these plans was technically feasible, but it was politically impossible to resolve jurisdictional disputes between the Defense Department and the Maritime Administration.’[xxx]
Kortom, de tegenstellingen tussen de Amerikaanse equivalenten van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat waren, zeker in vredestijd, te groot voor het realiseren van innovatieve ideeën zoals het Arapaho-project.
Zelfbescherming in de toekomst?
Na de Koude Oorlog was het concept van zelfbescherming voor koopvaardijschepen tegen conventionele dreigingen uit de gratie geraakt. Kan het nieuw leven worden ingeblazen? Ten aanzien van piraterijbestrijding is dit reeds gebeurd, denk aan de inzet van Best Management Practices, militaire en private beveiligers. De bescherming tegen moderne conventionele dreigingen is van een andere orde. Escorteschepen als fregatten bieden daarvoor de beste bescherming en zijn tegen ballistische raketten de enige optie. Maar de huidige zes Nederlandse fregatten kunnen onmogelijk de meer dan duizend zeegaande commerciële schepen onder Nederlandse vlag beschermen, laat staan andere cruciale scheepvaart, zoals de internationale handelsvaart op Rotterdam. Hoogstwaarschijnlijk zal in een grootschalig conflict in Europa of Azië, bij een gebrek aan bondgenootschappelijke escorteschepen, zelfbescherming van koopvaardijschepen bittere noodzaak zijn voor het veiligstellen van de aanvoer van voedsel, energie en militaire versterkingen.
Hoe zou moderne zelfbescherming eruit kunnen zien? Te denken valt aan actieve en passieve middelen tegen eenvoudige raketten en drones, waarvan de proliferatie groot is. De beschermingsmiddelen van militaire bevoorradingsschepen en LPD’s bieden inspiratie voor de uitrusting van koopvaardijschepen, alsook de inzet van Stinger-teams of equivalenten hiervan. De technische, financiële, juridische en personele uitdagingen zijn weliswaar groot, maar bleken in de wereldoorlogen niet onoverkomelijk. Daarom is onderzoek naar en discussie over moderne zelfverdedigingsmiddelen voor koopvaardijschepen wenselijk.
LTZ1 W.M. (Matthijs) Ooms is werkzaam aan de Faculteit Militaire Wetenschappen (FMW) en verricht promotieonderzoek naar de bescherming van koopvaardij in de Koude Oorlog.
Noten
[i] Dit artikel is gebaseerd op promotieonderzoek naar de bescherming van de koopvaardij in de Koude Oorlog. De auteur dankt prof. Wim Klinkert, dr. Anselm van der Peet en Henri L’Honoré Naber voor hun waardevolle commentaar op een eerdere versie van deze tekst.
[ii] Voor de inzet van de Nederlandse koopvaardij in WOII, zie: K.W.L. Bezemer, Geschiedenis van de Nederlandse koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog (1986 dl 1 en 2) (1990 dl 3) (Amsterdam: Elsevier, 1986); L.L. von Münching, De Nederlandse koopvaardijvloot in de Tweede Wereldoorlog: de lotgevallen van Nederlandse koopvaardijschepen en hun bemanning (2 delen) (Bussum: De Boer maritiem, 1978 (deel 1); 1986 (deel 2)); A.M.C. van Dissel et al., De Nederlandse koopvaardij in oorlogstijd (Amsterdam: Boom, 2014).
[iii] Sommige van deze stukken waren dubbelloops uitgevoerd; het totale aantal vuurmonden voor de drie categorieën behelsde 237 (76mm-105mm), 273 (37mm-40mm) en 1038 (20mm). Nationaal Archief, Den Haag (NL-HaNA), Def/Marinestaf, 2.13.114, inv.nr. 1703, hoofdofficier koopvaardijzaken aan CMS, 3 juni 1959.
[iv] ‘Bescherming handelsvloot in oorlogstijd wordt intensief voorbereid’, Alkmaarse Courant, 27 juli 1951; ‘Mannen van de koopvaardij leren hun schip verdedigen’, Het Parool, 25 juli 1951.
[v] NL-HaNA, Marine na 1945, 2.12.56, inv.nr. 3652, brief van scheepswerf Volharding aan het ministerie van Marine, 7 oktober 1953.
[vi] NL-HaNA, Def/Marinestaf, 2.13.114, inv.nr. 6774, uittreksel notulen 566e AR, december 1971.
[vii] Royal Fleet Auxilary (RFA) eenheden zijn grijs geschilderde schepen met een militaire ondersteuningsrol en in dienst van de Britse overheid, maar met een civiele registratie en civiele bemanning. De bemanningsleden zijn wel opgeleid in militaire taken (zoals wapengebruik) en kunnen als reservist (indien nodig) een militaire status krijgen.
[viii] Defensie Semi-Statisch Informatiebeheer Rijswijk, NATO/GLS/BLS 5781 1956-1972, directive to the International Planning Team, 21 februari 1958.
[ix] NATO Archives, MCM-0068-1969, 28 augustus 1968.
[x] Paul Henry Nitze, Leonard Sullivan, Securing the seas: the Soviet naval challenge and Western Alliance options, an Atlantic Council policy study, The Atlantic Council policy series, (Boulder, Colo.: Westview Press, 1979), 239-240, 429-430.
[xi] A.J. Vergroesen, "De controle en bescherming van de NAVO-handelsvloot in tijden van spanning en oorlog," Marineblad 90, no. 1 (1980), 25-29: 25.
[xii] ‘Revolutionaire Nederlands/Britse vinding: Koopvaardij krijgt raketten aan boord’, De Telegraaf, 5 november 1981.
[xiii] ‘Containerschepen zèlf met raketten de zee op’, Het Vrije Volk, 10 november 1981.
[xiv] The National Archives of the UK, Kew (TNA), DEFE 69/758, rapport ‘Containerised Seawolf/VM40 for a Corporate ship’, 13 mei 1982.
[xv] In 1985 volgde de US Navy een praktische route van innovatie met het zogeheten Sealift Survivability Program. In plaats van nieuwe concepten te ontwikkelen, voerde de Amerikaanse marine in 1988 en 1989 tests uit aan boord van koopvaardijschepen met bestaande (commercial off the shelf) wapensystemen en sensoren, variërend van mortieren tot luchtdoelraketten. Hieruit bleek dat diverse systemen geschikt waren voor handelsbescherming, zoals het Chaparral-raketsysteem, gebaseerd op Sidewinder-luchtdoelraketten, en het Mk 38 25mm kanon tegen kleine vaartuigen. Paulette R. Neshiem, "Protection of Merchant Shipping" (thesis, US Army War College, Carlisle Barracks (P.A.), 1990), 41-42.
[xvi] Neshiem, "Protection of Merchant Shipping," 46-48.
[xvii] Nitze en Sullivan, Securing the seas, 362-365.
[xviii] Anti-Submarine Warfare.
[xix] Theo Postma en Willem Geneste, Squadron 860: 1943-1993: in 50 jaar van 'stringbag' tot 'fly by wire' (Leeuwarden: Eisma, 1993), 9-18. Voordat de eerste MAC-schepen en militaire escort carriers in dienst kwamen, zetten de geallieerden vanaf 1941 ook zogenaamde CAM (Catapult Aircraft Merchantmen)-schepen in. Deze schepen konden met een katapult een jachtvliegtuig lanceren, maar landen was daarna niet mogelijk.
[xx] Robert M. Browning, "The Eyes and Ears of the Convoy: The Development of the Helicopter as an Antisubmarine Weapon," Air Power History 40, no. 2 (1993), 30-37. De Duitsers experimenteerden enkele jaren eerder met helikopterlandingen op oorlogsbodems. De Flettner F-282 Kolibri was de eerste operationele militaire helikopter en had een onder meer een verkenningstaak voor Duitse konvooien op de Oostzee tegen geallieerde onderzeeboten.
[xxi] Vernoemd naar het inheems-Amerikaanse Arapaho volk.
[xxii] Steven Iacono, "A Failure in the Falklands," Naval History 36, no. 2 (2022); Stephen Badsey, R. P. W. Havers, en Mark J. Grove, The Falklands conflict twenty years on: lessons for the future (London: Frank Cass, 2005), 256, 274; Paul June Brown, Abandon ship: the real story of the sinkings in the Falklands War (Oxford: Osprey Publishing, 2021), 205-208. Hoewel handbediend geschut weinig effectief was tegen antischipraketten, bleek het wel effectief tegen laagvliegende Argentijnse vliegtuigen, met name vlakbij de kust.
[xxiii] Eric Grove, The future of sea power (London: Routledge, 1990), 127-128; George W. Baer, One hundred years of sea power: the U.S. Navy, 1890-1990 (Stanford, Calif.: Stanford University Press, 1994), 405-406; R. B. Watts, American sea power and the obsolescence of capital ship theory (Jefferson, North Carolina: McFarland & Company, Inc., Publishers, 2016), 90.
[xxiv] Anselm J. van der Peet, "‘The threat that never was?’: Mispercepties over de dreiging van Sovjetonderzeeboten voor westerse zeelijnen, 1945-1980," Militaire Spectator 193, no. 5 (2024), 330-349.
[xxv] Voor dergelijke scenarioanalyses, zie: Nitze en Sullivan, Securing the seas, 337-382.
[xxvi] Anselm J. van der Peet, Out-of-area: de Koninklijke Marine en multinationale vlootoperaties 1945-2001, De Koninklijke Marine na de Tweede Wereldoorlog ; 3e deel, (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2017), 298, 301, 350. Het schieten met Stinger-raketten door een landmachteenheid vanaf een marineschip is in de afgelopen jaren beoefend aan boord van Zr.Ms. Johan de Witt, zie: ‘Flexibele Stingers in de Peel: steun voor landmacht én marine’, Landmacht, augustus 2020, https://magazines.defensie.nl/landmacht/2020/08/03_stingers-in-de-peel.
[xxvii] NIMH, MARAT, 058, inv. 12, periodiek overzicht voor de marine-attaché’s 1/85.
[xxviii] Pas 25 jaar na dato gaf de Britse overheid de documenten vrij waaruit bleek dat Atlantic Conveyor niet adequaat was bewapend vanwege juridische bezwaren en tijdnood. Zie: ‘Legal fears left Atlantic Conveyor defenceless’, 11 december 2007, The Times; ‘The Atlantic Conveyor’, Think Defence, 1 maart 2017, https://www.thinkdefence.co.uk/the-atlantic-conveyor/; Iacono, "A Failure in the Falklands."; Brown, Abandon ship, 185-208; Rowland White, Harrier 809: Britain's legendary jump jet and the untold story of the Falklands War (London: Bantam Press, an imprint of Transworld Publishers, 2020), 99-100, 231.
[xxix] Roy M. de Ruiter, Breuklijn 1989: continuïteit en verandering in het Nederlandse defensiebeleid 1989-1993 (Breda: Repro FBD, 2018), 75-83.
[xxx] Nitze en Sullivan, Securing the seas, 239.
Gerelateerd
'Verblijven in de afgrond van de hel!'
In het Nationaal Archief te Den Haag zijn de werfboeken van Harlingen daterend tussen 1798-1808 te vinden. Dit archiefmateriaal is voor dit…
Het leven van een marnier-arts tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog
In de Normandische havenstad Cherbourg koopt eerste luitenant-vlieger Frans Lutz zijn eerste dagboek. De 28-jarige vlieginstructeur van de…
Nederlanders aan boord van Hitlers vlaggenship
Tenminste 35 Nederlandse dienstvrijwilligers werden – als enige niet-Duitsers – op Hitlers vlaggenschip de Tirpitz geplaatst. Wie waren…

